Overbrugd

Overbrugd

woensdag 17 december 2014





Begraafplaats ‘De Zandberg’ te IJsselmuiden 

 


Vijf minuten voor de afgesproken tijd sta ik op wacht voor het hek van de algemene begraafplaats Kampen te IJsselmuiden. Benno ten Brinke, beheerder, zal me rondleiden en de nodige uitleg geven. Het is waterkoud vanmorgen, het laatste blad zal vlot vallen. Of ik binnen wil komen in het kleine kantoortje. Het is er warm, Ten Brinke sluit net een gesprek af. Op tafel een blad met koffie en kopjes, aan de muur hangt een vaan van voetbalclub Ajax.

We maken kennis en zitten meteen op hetzelfde spoor, dat praat goed. Hij is bevlogen en zegt dat hij het mooiste werk heeft van de wereld. Ondertussen trekt hij zijn jas aan, zet de kraag op en gaat me vertellend voor. ‘Toen in 1823 begraven in de kerk werd verboden had Kampen een probleem omdat de stad door laag polderlandschap was omgeven. Maar in het aan de overzijde van de IJssel gelegen IJsselmuiden was een flinke zandrug, de ‘Zandberg’ genaamd. Hier kocht de gemeente Kampen grond en in 1829 werd de algemene begraafplaats Kampen geopend.’ We wandelen langs een geelbruine beukenhaag, daarachter  ligt het gedeelte dat geduid wordt als 1e klasse. Hier zijn niet alleen de imposante graven van bekende theologen van de twee Theologische Universiteiten, ook burgermeesters en wethouders van naam hebben hier een rustplek gekregen.
 
 
Kunstig rasterwerk rond omhoog priemende gedenknaalden, maar ook lage muurtjes verbonden door kettingen geven status. Rustieke tombes, waarop opengeslagen bijbels in steen. Oude coniferen. Een wijdvertakte treurbeuk in laatste tooi bepaalt het gezicht. ‘We hebben de laatste tijd bezoek van een onbekende hobbyist. Hij maakt op gezette tijden de grafstenen schoon en schildert waar nodig. Kijk, al die zilverkleurig knoppen en bijbehorende hekwerk heeft hij onderhanden genomen. Hij is schuw, ikzelf heb hem slechts één keer gezien.’ Vergeeld blad, toefjes mos op een steen, luisterende stilte, slechts de roep van een vogel. ‘Kijk deze twee stenen zijn zo bijzonder dat ze bewaard moeten blijven. Hij wijst naar twee identieke stèles en zegt een lijst aan te willen leggen van bijzondere monumenten.

‘Dit hier is een merkwaardig verhaal. Op deze plek lag iemand begraven naast iemand waar hij in zijn leven mee overhoop lag. Op zekere dag kreeg gaf zijn weduwe te kennen dat ze wilde dat haar man een andere begraafplek zou krijgen. Ik waarschuwde haar voor de kosten. Het gaf niets, ze had geld genoeg. Voor de zekerheid wilde ze na opgraving de kist zien. Zo geschiedde. Nu ligt ze inmiddels bij haar man in hetzelfde graf.’ Hij lacht en merkt op blij te zijn als hij aan bepaalde wensen kan voldoen. Op het graf van de gezusters Hendriks staat slechts een paaltje. ‘De steen was vervallen, er waren geen nabestaanden. Dan maken we het netjes, het graf blijft echter intact.’ Herinneringen aan de evangeliste Hendriks komen boven. In stevige stap op rijglaarsjes vroeg ze met hoge stem ieder die op haar weg kwam of hij al bekeerd was. Kinderen stelde ze de vraag milder: ‘Heb je je hartje al aan Jezus gegeven?’

Sinds kort is er een kindergedeelte op de begraafplaats. Via een breed zandpad wandelen we naar de wat afgelegen plek. Op het lege grasveld er naast staat een kleurig speelstuk om te hobbelen. ‘Ouders komen vaak naar het grafje van hun kind vergezeld van andere kindjes. Die kunnen daar rustig spelen, terwijl de ouders op de bank even bij hun dierbare kleintje kunnen toeven.’ Kleine begraafplekken voor drie grafjes steeds weer afgeschermd met een beukenhaag. Knuffels, lampjes en bloemen. Met kastanjes zijn namen gelegd. Ik lees Sterre en iets verder Femke. ‘Dit is het monument voor alle kinderen die hier komen rusten.’ Hij klopt op een robuuste granieten steen. In het geglazuurde gedeelte zijn wolken en een sterrenhemel afgebeeld. In het ruwe gedeelte zijn twee granieten sterren aangebracht met namen. De klok luidt, een rouwstoet voor het nabijgelegen kerkhof is aantocht.

’Nu zal ik je de aula laten zien.’ We wandelen langs de kastanjelaan. ‘Tegenwoordig laten we de kastanjes liggen, dat is mooi, want niet alleen kinderen maar ook ouderen komen rapen.’
De kapel ademt stijlvolle rust in donkerrood en grijs. Op de lichte vloer is een fraai kruisteken verwerkt. Zeven zwaar eiken banken aan beide zijden. Symmetrie ook in de twee grote kandelaars en twee forse planten. In de vensters staat kunst om over na te denken. Hij lacht. ‘We hadden eerst geel als hoofdkleur gekozen, tegen de voorwand een regenboog, daarboven een duif. Maar het was toch te vrolijk. De kleur is uit de regenboog gehaald, de duif mocht blijven.’ Hij loopt naar de ingang. ‘Afscheid nemen kan ook hoor, hij waaiert een velours gordijn breed uit. Nu is de ingang veranderd in een rood kamertje.’
Het lijkt hem mooi om rond de kapel een pad aan te leggen waarin de levensloop wordt verbeeld te beginnen bij de zerk waar de eerste directeur van de begraafplaats ligt begraven. ‘Aan de voorzijde komt eerst een stuk actief leven, de zonzijde staat voor het leven in ruste, daar komen ook bankjes, aan de achterzijde van de kapel is de dood. Aan de zijkant die nog rest is plaats voor allerlei symbolen. Zo maak je de dood toegankelijker, want dood is niet griezelig.’
 
 
Langs een afgebroken toorts omgeven door een hek wandelen we naar de uitgang. In het voorbijgaan lees ik  22-03-1867  tot 22-04-1897.  Vallend blad op strak geknipte heggen, vallend blad op gepolijste zerken. Ik raap twee kastanjes op. Diepbruin en glanzend liggen ze in de kom van mijn hand, ze brengen me terug bij het nu…