Begraafplaats
‘De Zandberg’ te IJsselmuiden
Vijf
minuten voor de afgesproken tijd sta ik op wacht voor het hek van de algemene
begraafplaats Kampen te IJsselmuiden. Benno ten Brinke, beheerder, zal me
rondleiden en de nodige uitleg geven. Het is waterkoud vanmorgen, het laatste
blad zal vlot vallen. Of ik binnen wil komen in het kleine kantoortje. Het is
er warm, Ten Brinke sluit net een gesprek af. Op tafel een blad met koffie en
kopjes, aan de muur hangt een vaan van voetbalclub Ajax.
We
maken kennis en zitten meteen op hetzelfde spoor, dat praat goed. Hij is
bevlogen en zegt dat hij het mooiste werk heeft van de wereld. Ondertussen
trekt hij zijn jas aan, zet de kraag op en gaat me vertellend voor. ‘Toen in
1823 begraven in de kerk werd verboden had Kampen een probleem omdat de stad
door laag polderlandschap was omgeven. Maar in het aan de overzijde van de
IJssel gelegen IJsselmuiden was een flinke zandrug, de ‘Zandberg’ genaamd. Hier
kocht de gemeente Kampen grond en in 1829 werd de algemene begraafplaats Kampen
geopend.’ We wandelen langs een geelbruine beukenhaag, daarachter ligt het gedeelte dat geduid wordt als 1e
klasse. Hier zijn niet alleen de imposante graven van bekende theologen van de
twee Theologische Universiteiten, ook burgermeesters en wethouders van naam
hebben hier een rustplek gekregen.
Kunstig rasterwerk rond omhoog priemende
gedenknaalden, maar ook lage muurtjes verbonden door kettingen geven status.
Rustieke tombes, waarop opengeslagen bijbels in steen. Oude coniferen. Een
wijdvertakte treurbeuk in laatste tooi bepaalt het gezicht. ‘We hebben de
laatste tijd bezoek van een onbekende hobbyist. Hij maakt op gezette tijden de
grafstenen schoon en schildert waar nodig. Kijk, al die zilverkleurig knoppen
en bijbehorende hekwerk heeft hij onderhanden genomen. Hij is schuw, ikzelf heb
hem slechts één keer gezien.’ Vergeeld blad, toefjes mos op een steen,
luisterende stilte, slechts de roep van een vogel. ‘Kijk deze twee stenen zijn
zo bijzonder dat ze bewaard moeten blijven. Hij wijst naar twee identieke
stèles en zegt een lijst aan te willen leggen van bijzondere monumenten.
‘Dit hier is een merkwaardig verhaal. Op deze plek lag
iemand begraven naast iemand waar hij in zijn leven mee overhoop lag. Op zekere
dag kreeg gaf zijn weduwe te kennen dat ze wilde dat haar man een andere
begraafplek zou krijgen. Ik waarschuwde haar voor de kosten. Het gaf niets, ze
had geld genoeg. Voor de zekerheid wilde ze na opgraving de kist zien. Zo
geschiedde. Nu ligt ze inmiddels bij haar man in hetzelfde graf.’ Hij lacht en
merkt op blij te zijn als hij aan bepaalde wensen kan voldoen. Op het graf van
de gezusters Hendriks staat slechts een paaltje. ‘De steen was vervallen, er
waren geen nabestaanden. Dan maken we het netjes, het graf blijft echter
intact.’ Herinneringen aan de evangeliste Hendriks komen boven. In stevige stap
op rijglaarsjes vroeg ze met hoge stem ieder die op haar weg kwam of hij al
bekeerd was. Kinderen stelde ze de vraag milder: ‘Heb je je hartje al aan Jezus
gegeven?’
Sinds
kort is er een kindergedeelte op de begraafplaats. Via een breed zandpad
wandelen we naar de wat afgelegen plek. Op het lege grasveld er naast staat een
kleurig speelstuk om te hobbelen. ‘Ouders komen vaak naar het grafje van hun
kind vergezeld van andere kindjes. Die kunnen daar rustig spelen, terwijl de
ouders op de bank even bij hun dierbare kleintje kunnen toeven.’ Kleine
begraafplekken voor drie grafjes steeds weer afgeschermd met een beukenhaag.
Knuffels, lampjes en bloemen. Met kastanjes zijn namen gelegd. Ik lees Sterre en iets verder Femke. ‘Dit is het monument voor alle
kinderen die hier komen rusten.’ Hij klopt op een robuuste granieten steen. In
het geglazuurde gedeelte zijn wolken en een sterrenhemel afgebeeld. In het ruwe
gedeelte zijn twee granieten sterren aangebracht met namen. De klok luidt, een
rouwstoet voor het nabijgelegen kerkhof is aantocht.
’Nu
zal ik je de aula laten zien.’ We wandelen langs de kastanjelaan. ‘Tegenwoordig
laten we de kastanjes liggen, dat is mooi, want niet alleen kinderen maar ook
ouderen komen rapen.’
De
kapel ademt stijlvolle rust in donkerrood en grijs. Op de lichte vloer is een
fraai kruisteken verwerkt. Zeven zwaar eiken banken aan beide zijden. Symmetrie
ook in de twee grote kandelaars en twee forse planten. In de vensters staat
kunst om over na te denken. Hij lacht. ‘We hadden eerst geel als hoofdkleur
gekozen, tegen de voorwand een regenboog, daarboven een duif. Maar het was toch
te vrolijk. De kleur is uit de regenboog gehaald, de duif mocht blijven.’ Hij
loopt naar de ingang. ‘Afscheid nemen kan ook hoor, hij waaiert een velours
gordijn breed uit. Nu is de ingang veranderd in een rood kamertje.’
Het
lijkt hem mooi om rond de kapel een pad aan te leggen waarin de levensloop
wordt verbeeld te beginnen bij de zerk waar de eerste directeur van de
begraafplaats ligt begraven. ‘Aan de voorzijde komt eerst een stuk actief
leven, de zonzijde staat voor het leven in ruste, daar komen ook bankjes, aan
de achterzijde van de kapel is de dood. Aan de zijkant die nog rest is plaats voor
allerlei symbolen. Zo maak je de dood toegankelijker, want dood is niet
griezelig.’
Langs een afgebroken toorts omgeven door een hek wandelen
we naar de uitgang. In het voorbijgaan lees ik
22-03-1867 tot 22-04-1897. Vallend blad op strak geknipte heggen,
vallend blad op gepolijste zerken. Ik raap twee kastanjes op. Diepbruin en
glanzend liggen ze in de kom van mijn hand, ze brengen me terug bij het nu…