Overbrugd

Overbrugd
Posts tonen met het label Rouw. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Rouw. Alle posts tonen

maandag 9 maart 2015


In ‘De taal van het troosten’ van Hans Bouma kwam ik onderstaande tekst tegen.
Kern van het verhaal is het gedicht. Schijnbaar eenvoudige woorden die een man schreef voor zijn vrouw op een moment van gevaar, maar die bij zorgvuldig lezen diep van inhoud zijn en een grote troost zullen zijn geweest voor zijn echtgenote. Woorden die ook ons mogen troosten in tijden van gemis en leegte om het verlies van een dierbare.
Ik geef de tekst graag door.

Denk aan deze prachtige plek
Woensdag, 23 maart 1994 werd hij door politieke tegenstanders geëxecuteerd: de Mexicaanse presidentskandidaat Luis Donaldo Colosio. Enkele uren voordat de moord plaatsvond, schreef hij in het vliegtuig op weg naar de grensplaats Tijuana een onthullend gedicht voor zijn vrouw. Een vers waarin hij zijn eigen dood al veronderstelt.

Als je van me houdt, huil niet.
Als je het ondoorgrondelijke mysterie
van de hemel waar ik me bevind
zou kennen,
zou je nooit om me huilen.

We hielden in dit leven
voor eeuwig van elkaar,
maar alles was toen vluchtig en beperkt.

Denk aan deze prachtige plek
waar geen dood is
en waar ik vlakbij de onuitputtelijke bron
van geluk en liefde ben.

Als je echt van me houdt,
huil dan niet meer om mij.
Ik ben in vrede.

Met het oog op z’n niet onwaarschijnlijke, ja zelfs te verwachten dood troost Luis Donaldo Colosio alvast zijn vrouw. Zij moet weten dat die dood niet het einde is. Men dacht definitief met hem te kunnen afrekenen. Maar wat gedood werd was slechts zijn lichaam. Zij ziel, dat wil zeggen: hijzelf in z’n meest oorspronkelijke gestalte bleef ongedeerd. En hoe goed, hoe volmaakt zalig is hij er nu aan toe. Een wereld van geluk en liefde is zijn deel. Een wereld zonder onrecht, geweld, verraad, zonder wantrouwen, haat, angst, permanente angst. Een wereld waar alle leed geleden is. Een wereld waar hij schitterend  tot z’n recht komt ‘In vrede’ is hij. Tot een hoger, tot een zeer liefelijke werkelijkheid is hij verheven. Een hemelse, een goddelijke werkelijkheid. Een werkelijkheid waar alles wat hij moest doorstaan, ook zijn dood, goedmaakt, meer dan goedmaakt. Als ze echt van hem houdt, zijn vrouw,  als ze in gedachten nu bij hem is, kan ze toch niet meer huilen. Is de toestand waarin hij zich bevindt geen reden tot vreugde? Hij heeft zijn bestemming bereikt.

woensdag 31 december 2014


Wie ben ik en hoe vind ik mijn weg verder? 

Hij verzorgt lezingen en workshops over thema’s als ouder worden, levenseinde, afscheid, verlies en zorg. Van zijn hand verschenen verschillende boeken voor wie rouwt, en voor wie rouwenden beter wil leren begrijpen. In gesprek met Marinus van den Berg.

Als ik de kaars aansteek, wil jij dan de woorden zeggen?
‘Een kaars is veelzeggend. Elke morgen steek ik op mijn werkkamer een kaars aan omdat één licht zoveel licht kan brengen. Eén licht wijst de duisternis haar grenzen.’

Er staan inmiddels veel boeken op je naam. De titels zijn veelzeggend: Waken en afscheid nemen, Teksten bij het afscheid, Door je verdriet heengroeien, om er maar enkele te noemen. Ben je onze ‘rouwpastor’?
‘Wie is ónze’, zou ik willen zeggen. Je bent pastor voor iemand als die dat ook zo gaat ervaren. Dat is een ontwikkeling, een groei. Een mens is niet open, maar een mens kan opengaan. Dat gebeurt als er veiligheid en vertrouwen groeit, als er in pastorale relaties zorgzaamheid en zorgvuldigheid wordt geboden. Als iemand iets van dat behoeden bemerkt, dan mag je je iemands pastor weten.’

Wanneer en waardoor ontstond de behoefte om over de moeilijke materie te schrijven?
Tijdens mijn studie in Amerika overleed het zoontje van mijn broer. Ik hoorde er pas van na de begrafenis. In diezelfde tijd overleed een tante naast ons, een oudoom die bij ons in huis woonde en mijn oma. Vier mensen binnen twee maanden. In diezelfde periode luisterde ik naar iemand die vertelde over rouw en hechtingstheorieën. Ik herkende heel veel en toen ik een scriptie  moest schrijven stelde ik als onderwerp voor ‘Lijden aan een verlies’. Wie is God, wat is lijden, hoe ga je hiermee om? Toen ben ik mensen gaan interviewen. Na afronding van mijn scriptie kreeg ik het advies op deze weg verder te gaan.’

Recent verscheen Rouwen in de tijd. Een fors boek, waarin alles aan de orde komt. Een soort ‘rouwbijbel’, een boek om in te bladeren?
‘Ja, als je de bijbel dan maar wilt opvatten als een verzameling van verhalen, van impressies, van poëzie; het is een wonderlijk boek, een klein ‘bibliotheekje’, waarin je mag kijken, waardoor je je mag laten inspireren, want er is wel een rode draad. Het gaat om het geloof, om het vinden van wie is  God is voor mij en wie ben ik voor God? Zo is het ook in de rouw. Wie ben ik en hoe vind ik mijn weg verder? Inmiddels meldde de uitgever dat de tweede druk in aantocht is.’

Is dit boek de bekroning van alles wat je over dit onderwerp schreef?    
‘Ik denk het wel.’

De ondertitel is Een zoektocht in het landschap van afscheid en verlies. Wil je hier iets over vertellen?
‘Ik moest in Torhout (België) over dit onderwerp spreken voor een groep studenten. Om het aanschouwelijk te maken tekende ik een landkaart. Die landkaart, Terra Incognita (Het onbekende land) staat aan de binnenzijde van Rouwen door de tijd. In het midden heb ik een hart getekend, je bent nu in je hart geraakt. In dat hart tekende ik de vier zingevingsgebieden: intimiteit, ontspanning, inspanning en levensbeschouwing. De landkaart geeft de zoektocht weer door het onbekende land met plekken van gevaar, maar ook van warmte en genegenheid. De kern is: jij die opnieuw verbinding zoekt met de wereld om je heen. Daarnaast speelt haasttijd en vertraagde tijd. Iemand in rouw leeft niet zoals anderen in de haasttijd, maar vanuit de chaos in de vertraagde tijd,  je kunt wel deelnemen aan wat het leven heet, maar nooit meer op dezelfde wijze of in hetzelfde tempo als in de haasttijd.’

Rouwen in de tijd is overzichtelijk. Kleine hoofdstukken, afgewisseld door onderwegteksten en intermezzo’s. Mondjesmaat verschillende onderdelen aanreiken?
‘Rouwenden kunnen maar kleine stukjes aan. Door in het boek te bladeren komen ze soms niet die ene zin tegen waar ze naar zochten. Een zin om die dag mee te nemen.’

Langzaam leid je de lezer door het boek. Suggestie voor hoe te leven bij rouwpijn, worden aangeboden. Er zijn ook omkaderde vragen voor de lezer. Probeer je zo de lezer bij de eigen situatie te houden?
‘Ja. Ik zeg bij lezingen vaak: ‘U moet niet naar mij komen luisteren. Ik hoop dat u vandaag goed luistert naar uzelf. Ik reik de beelden aan en ervaringen. Niet om te zeggen, zó moet het, maar wat komt het dichtst bij uzelf?’

Je noemt jezelf iemand die het steeds minder weet en leert van wie het wel weet. Worden de rouwenden je leermeester?
‘De lijdende gaat mij vóór, want die vertelt waar hij ongeveer is in landschap van verlies. Dan is de vraag 'zij‘ er kinderen, zijn er familieleden en goede vrienden’ belangrijk; maar belangrijker is de vraag ‘wat betekenen ze voor u?’ In dialoog kan helder worden dat rouwenden ook voor anderenweer iets kunnen gaan betekenen.’

Met welke boodschap wil je rouwenden in de opmaat naar kerstmis bemoedigen?
‘Ik zou een zin van Paul Claudel willen zeggen: ‘Christus is niet in de wereld gekomen om het lijden weg te nemen, maar om het lijden te verlichten.’ Wil je kerstmis kunnen vieren dan moet ook het gemis en de pijn genoemd worden. Er is een leegte. Bonhoeffer zegt dat ook God die leegte niet vult. Maar God respecteert die unieke liefdesband die wij met iemand gehad hebben en nog hebben. Rouw gaat over liefde.’

Naschrift:
Marinus van den Berg (1947), geboren in Wijhe, studeerde aan het gymnasium van de paters karmelieten in Zenderen, en theologie aan de Katholieke Hogeschool Utrecht en de universiteit van Yale (USA).Hij werd in 1977 priester gewijd en werkte acht jaar in Apeldoorn in het verpleeghuis ‘Randerode’, daarna 15 jaar als pastoraal vormingswerker voor de gezondheidszorg. Van den Berg is in 2009 elf jaar pastor en geestelijk verzorger voor Antonius IJsselmonde te Rotterdam en een jaar in het nieuwe palliatief centrum Cadenza. Bijna 30 jaar is hij betrokken bij de Vereniging Ouders Overleden Kind en geeft veel lezingen en cursussen over omgaan met verlies en afscheid. Hij kreeg een koninklijke onderscheiding voor zijn werk.

 

donderdag 11 december 2014


Glansloos zijn de dagen

 

De enveloppe is onopvallend, de inhoud laat me weten dat ik bij de rouwenden hoor.
De werkgroep Verliezen Verwerken Salland/Noordwest Overwijssel heeft, evenals voorgaande jaren, een thema- en ontmoetingsdag georganiseerd in Ommen met als titel “Glansloos zijn de dagen’. Deze keer zal Manu Keirse een inleiding houden. Ik zoek op internet en ontdek dat hij hoogleraar is aan de Faculteit Geneeskunde van de K.U. te Leuven. Van zijn hand verschenen meerdere boeken over rouwverwerking.

Een paar weken later. Onzeker open ik de deur van het Kerkelijk Centrum ‘De Kern’ aan de Bouwstraat en word opgevangen door Ted. Ik herken hem van vorig jaar. Hij weet alles over symbolisch bloemschikken en zal vanmiddag de workshop leiden. Ook andere mensen van de werkgroep herken ik en zij herkennen mij. En als ik dan ook nog een vriendin en twee andere deelnemers van vorig jaar ontdek, is het haast gezellig.
De ruimte is aangenaam, zo’n vijftig rouwenden, vrouwen in de meerderheid, er zijn verrassend veel jongeren. Janneke Dijkhof opent met een gedicht van Doris Dorné:

Met open ogen
staar ik
in de spiegel van het verleden
naar het troosteloze heden.
Glansloos
zijn de dagen nu jij er niet meer bent,
alles heeft zijn kleur verloren,
eenzaamheid trekt diepe sporen
in de kamers van mijn hart.

Daarna loopt Ted naar de uitgeholde schijf van een dikke boom. Er zitten rare punten glas in. ‘Een stuk geslagen spiegel, zo zien we onszelf, niet meer compleet’, legt hij uit. Het zware ‘pak van rouw’ ligt op tafel, het touw er omheen is losgemaakt. Manu Keirse zal het papier verwijderen. Hij oogt vriendelijk en ontspannen, zijn stem is heerlijk. Keirse geeft handvatten. ‘Verdriet is als een vingerafdruk: voor iedereen herkenbaar en toch zijn er geen twee vingerafdrukken gelijk. De lijnen lopen telkens weer anders en vormen een uniek patroon. Zo loopt ook het verwerkingsproces anders. Steeds opnieuw het verhaal vertellen, de puzzel wordt compleet. Leeftijd is geen excuses voor verdriet en verdriet wegstoppen heeft geen zin. Men moet dwars door de pijn heen, tranen en verdriet toelaten, steeds maar weer, tot de stroom geleidelijk minder wordt. Schuldgevoelens ontstaan door ons streven naar perfectie, ze vertellen ook over liefde. De opvang door anderen is heel belangrijk.’ Hij kijkt scherp de zaal rond. ‘Ik zal u een verhaal vertellen. Een werknemer ging veertien dagen na het overlijden van zijn vrouw weer naar zijn werk. De directeur riep hem in zijn kamer en zei: ‘Vertel me eens hoe is alles gegaan?’ De man vertelde, het gaf lucht. De directeur luisterde vol aandacht. ‘Wij hebben voor jou tijdens de lunch een kleine ruimte gereserveerd. Daar kun je lunchen met een paar anderen, die jezelf mag kiezen.’ De werknemer werd met zorg opgevangen en kon langzaam in het werkproces terugkeren. Een ander verhaal. Roos, een moeder van vier jonge kinderen verliest haar man en niet veel later ook een kind. Haar moeder is de steunpilaar, zodat Roos overeind blijft. Dan verongelukt de twaalfjarige dochter. En weer is de moeder daar, maar Roos vloekt haar weg en zegt dat de moeder beter had kunnen verongelukken, zij heeft het leven al grotendeels geleefd. De moeder gaat en komt later door de achterdeur binnen met de woorden: ‘Je hebt gelijk ik ben oud, ik had beter kunnen sterven.’ In tranen vinden ze elkaar.’

Het is stil in de zaal. ‘En dan die drie dochters, die hun moeder in alle liefde bijstonden in de ziekte en op de avond van de dag van overlijden naar een dansgelegenheid gingen. Het hele dorp sprak schande. Maar voor hen  was bewegen dè manier het verdriet er uit te schudden.’

Een paar deelnemers krijgen een glas water aangereikt; water geeft lucht. Keirse bouwt af. ‘De politie raadt mensen af te gaan kijken naar dierbaren die ernstig verwond zijn na een dodelijk ongeval. Ik raad aan als men het enigszins kan opbrengen de confrontatie aan te gaan. Ooit werd ik gebeld om raad. Een jongen was onder de trein gekomen, her en der lagen delen van zijn lichaam. Ik adviseerde alle delen naast elkaar te leggen, ze onderling te verbinden met zwachtels en ze af te dekken in de vorm van een lichaam. Alleen de delen die wel gezien mochten worden onbedekt te laten. Een paar weken later werd ik gebeld door de ouders. ‘Wij zijn u ontzettend dankbaar. Door uw bemoeienis hebben wij de linker voet van onze zoon nog kunnen kussen.’

Er worden vragen gesteld. Een deelneemster heeft na tien jaar verpleeghuis haar man een jaar geleden verloren. Ze heeft nog niet kunnen huilen en verlangt naar tranen. Een meneer meldt dat mensen vragen ‘Hoe gaat het?’, maar niet wezenlijk luisteren. Keirse draagt aan. ‘Altijd een zin afmaken. ‘Hoe gaat het sinds ik u de laatste keer sprak?’ Iemand heeft pijn omdat de naam van haar dierbare nooit genoemd wordt. ‘Laten we zelf het initiatief nemen en de naam van onze geliefde noemen’, vindt een deelneemster. Zelf noemt zij regelmatig zijn naam, voor mensen die hem nooit ontmoet hebben, heeft hij een gezicht gekregen. ‘Mensen die open staan voor de naam, zij zijn als graspollen waaraan we ons optrekken om de berg te kunnen beklimmen. Anderen doen niet meer terzake.’ Instemming alom.

Harpspel zorgt voor de overgang naar de zeer verzorgde lunch. Bij de boekentafel praat ik na met Manu Keirse. Hij schrijft in het zojuist gekochte ‘Vingerafdruk van verdriet’, in kleine letters: ‘Lezen over verdriet, is lezen over liefde.’

Na de workshop ‘bloemen vertellen over rouw’ en de in kleine groepen gehouden gesprekken,  volgt de sluiting. Bij de deur reikt Ted ons een stukje tak aan voorzien van een kussentje mos. Aan de voorzijde zitten kraaltjes. ‘Ïs er een geluksmoment, leg dan een kraaltje op het mos.’

’s Avonds peuter ik de rode kraal los en vlij haar op het mos…

 

 

 

dinsdag 2 december 2014


Zr. M.  Paulino Brandsma

      1927 – 2014   

 Op 23 januari overleed na een kort ziekbed onverwacht zr. Paulino, franciscanes te Denekamp. Deze bevlogen religieuze laat niet alleen in de zuster- en familiekring een leegte achter, maar ook in haar vriendenkring.
Ze werd als Ida Maria Brandsma geboren in Roodhuis (Fr.) en was de zevende in het tien kinderen tellende gezin. Een eenzame plek, dan weer hoorde ze bij de grote kinderen, dan weer bij de kleine, al naar gelang het uitkwam. Zeventien was ze toen voor het eerst de kloostergedachte bovenkwam. Een pater Augustijn gaf haar het advies om een actief klooster te kiezen en geen slotzuster te worden. ‘Je bent te melancholiek en ook wat zwaarmoedig. Franciscus was een blijde man, die moet je maar volgen.’ In 1949 deed ze haar intrede bij de zrs. franciscanessen in Denekamp en koos als kloosternaam Paulino, naar Paulus (de nederige). De eerste professie was in 1951, de geloften voor het leven volgden in 1955. Ze werd lerares naaldvakken en gaf les van 1963 tot 1982 aan de huishoudschool te Noord-Deurningen, St. Nicolaasstichting. Met medezusters nam zij in het internaat de zorg op zich voor opgroeiende meisjes. Na deze periode stortte ze zich met hart en ziel op de verschillende vormen van vrijwilligerswerk, zoals het begeleiden van vrouwengroepen, weekenden voor jongeren, bijbelgroepen, volwassenencatechese en doopvoorbereiding. Ook nam ze graag deel aan oecumenische gesprekken en vieringen. Vanaf 1966 was ze meerdere jaren lid van het provinciaal bestuur van de Congregatie. Haar ‘gouden tijd’ beleefde ze in de pastorie te Oldenzaal waar ze hoofd werd van een kleine communiteit en volop bezig was in bovengenoemde werkzaamheden. Ze was bedacht op de ontwikkelingen in kerk en maatschappij en had een kritische blik voor alles wat zich daar afspeelde.

In die tijd leerden we zr. Paulino kennen. Dit voorjaar waren we voornemens onze twintigjarige vriendschap vieren, een vriendschap met vele facetten. Daar waren allereerst de ontmoetingen met gemeenteleden uit ‘De Bron’ in eendaagse retraites. Samen met zr. Marie-José, ds. Ad van Noord en ondergetekende zorgde zr. Paulino voor de invulling van die dagen met gesprekken, meditaties en vieringen.
Het meest kostbaar werd de vriendschap in deze voorbereidingsgroep. Bijpraten onder de koffie, wandelen over het kloosterkerkhof, samen de verzorgde maaltijd gebruiken in de deftige balkonkamer, samen genieten, samen de gebeden zeggen.

In een overvolle kapel vond op 28 januari de gezongen Eucharistieviering plaats. Zonlicht viel in een brede baan troostend door het raam over de met bloemen bedekte kist. Of was het juichend licht? Wijwater en wierook, veelzeggende rituelen. We zongen:

Wanneer uw licht mij voorgaat in de nacht,
wanneer ik hoor dat U mij thuis verwacht,
dan weet ik, Heer, dat U mijn zwakheid ziet,
dan zeg ik dank, want U verlaat mij niet.

Een zuster las Jes. 25,6-10a en Mt. 6,25-33, priester André Zegveld, deken van Twente en IJssellanden, ging voor. Hij verwees vanuit de gelezen bijbelgedeelten naar zr. Paulino: ‘Zij  was zo’n gelovige, met hart en ziel, Jezus achterna, vol van het Rijk van God, vol van het verlangen naar Gods merkbaarheid in de mensen en de wereld om haar heen. Maar ze was ook een gecompliceerd mens, onrustig en op zoek naar rust; druk bezig en verlangend er te mogen zijn; toegewijd èn tobbend; gelovend dat je alles als uit Gods hand moet en mag ontvangen, maar met graag de regie in eigen hand; dienstbaar willen zijn en toch de leiding willen hebben. Ze was een vrouw van het visioen, maar had moeite met het wachten en het loslaten dat daarbij hoort.’ De hechte band met haar familie was In het afscheidswoord door een neef goed hoorbaar. In de heldere vrieskou trokken we in een lange stoet naar de begraafplaats, het leek of de overleden zusters haar verwelkomden.

Vanaf de bank thuis heb ik zicht op de treurende Moeder Gods. In haar schaduw staan twee kaarten naast elkaar, in tijdsduur schelen ze een maand. Op de grootste staan smaakvol geschikte symbolen voor kerst met er naast goede woorden van zr. Paulino. De kleine kaart is geen kaart maar haar bidprentje.  Maar de woorden er boven naar Ps. 43,3 zijn veelzeggend: ‘Zend mij uw Licht en uw trouw tegemoet, zij zullen mij brengen tot binnen in uw huis’.
Lieve zr. Paulino, we moeten jou, zo leerden we van kloosterlingen, het sterven gunnen. We mogen blij zijn omdat je mag leven in Gods Licht. Maar we missen je, we missen je zeer…

 

  

Broeder Franciscus Johannes Huiting
                1923 – 2014

Op 12 oktober overleed prior en gastenpater broeder Frans Huiting. Zijn heengaan zal velen met ontroering vervullen, zowel in de rooms-katholieke als in de protestantse wereld. Wie ooit binnen de poort van de Sint Paulusabij verbleef zal ongetwijfeld deze bijzonder monnik op zijn netvlies hebben. Wie herinnert zich niet zijn fijnzinnige opmerkingen, zijn ‘ach zo’, zijn stem waarin een lichtje leek te zitten, zijn geredder in de keuken van het gastenhuis.

Broeder Frans werd geboren op 28 september 1923 te Amsterdam. Hij volgde het gymnasium op het Missiecollege van de Franciscanen in Katwijk aan de Rijn. Om zich op zijn roeping voor te bereiden wilde hij de Trappistenabdij in Zundert bezoeken, vooraf bezocht hij in Bilthoven schrijver Pieter van der Meer de Walcheren, die hij zeer bewonderde. Deze raadde hem ook de Benedictijnen in Oosterhout te bezoeken. Hij zocht niet verder, dit werd zijn huis. Op 8 september 1942 trad hij in, werd in datzelfde jaar gekleed en legde zijn eerste geloften af op 18 mei 1944, waarna hij op 17 december 1949 tot priester werd gewijd. Broeder Frans verdiepte zich graag in abstracte problemen, filosofie was hem op het lijf geschreven, met zijn lectorschap heeft hij velen begeleid in de wereld van de filosofie. Vanaf 1957 tot 1975 was hij prior en toen broeder Rien van den Heuvel in 1985 abt werd, nam broeder Frans opnieuw het priorschap op. Voor velen werd hij een geestelijk begeleider. Toen de communiteit naar Teteringen verhuisde steunde hij zijn medebroeders en bij het vertrek van abt Rien van den Heuvel naar de Slangenburg werd hij de leider van de inmiddels kleine groep broeders. Eind 2012 brak hij bij een val zijn heup, daarbij werd zijn leven broos.

Zestien jaar heb ik mij mogen verheugen in onze vriendschap, gevat in spiritualiteit. Bij het doorlopen van de map met zijn vele brieven en kaarten werd het me opnieuw duidelijk: ik was één van mijn beste vrienden kwijt. Hij leerde me wat bedoeld werd met benedictijnse spiritualiteit, aandacht en zorg voor het eenvoudige, hij reikte me kostbaarheden uit de filosofie aan. Hij was mijn eerste kloosterling in de 24-delige serie ‘In het licht van de kaars’ en had bij de te nemen foto’s veel plezier om mijn capriolen. Ik dacht aan ons telefonisch bijpraten op de zondagavond, ik dacht aan onze diepe gesprekken in de abdij, waarbij ik opmerkte het gevoel te hebben dat er nog iemand bij leek te zijn. ‘Het klopt’, zei hij, het is de Geest.’ Broeder Frans ging zeer mee met zijn tijd. Hij maakte enthousiast gebruik van de computer, volgde nauwgezet de ontwikkelingen in de moederkerk, voelde zich betrokken bij de oecumene. Hij herkende zichzelf in paus Franciscus.

Op vrijdag 17 oktober, een stralende herfstdag deden we hem uitgeleide vanuit de abdijkerk. Het was een waardig uitvaart, zeer bij hem passend. Er werd gelezen uit Romeinen 8 en uit Johannes 14. Tijdens de communie klonk fraai harpspel. Wierook steeg omhoog en mengde zich met binnenvallend herfstlicht. Na het uitdragen volgde een lange rij bezoekers de kist. De plechtigheid werd op het kloosterkerkhof afgesloten met ‘Heer geef hem de eeuwige rust. En het eeuwige licht verlichte hem.’ Door de al kleurende kloostertuin wandelden we in kleine groepen naar de abdij; we deelden het gemis, maar er was vooral dankbaarheid, dankbaarheid deze mens te hebben gekend…

Broeder Mattheus Notenboom

        1929 – 2012
 
Zeer onverwacht overleed broeder Mattheus, monnik van de Sint Pauluscommuniteit. Voor allen die van hem hielden, en dat zijn velen, was het nauwelijks te bevatten.

Hij werd als Antonius Henricus Gerardus Notenboom geboren in Roosendaal, trad 1952 in als lekenbroeder in de Sint Paulusabdij te Oosterhout en ontving de kloosternaam Mattheus. Op 12 oktober 1954 deed hij zijn professie, toendertijd het feest van de Kerkwijding. Was hij in zijn burgerleven etaleur geweest, zijn artistieke begaafdheid en gevoel voor schoonheid waren een geschenk voor de communiteit. Hij begon als kleermaker maar werd al snel borduurder op het liturgisch atelier van Dom van der Laan. En toen in 1971 de pottenbakkerij werd opgericht kwam er opnieuw een laag van zijn begaafdheid naar buiten. Handen die kneedden, handen die vormden, concentratie die hij meesterlijk wist af te wisselen met humorvolle gesprekken met de kring gasten rond hem. Broeder Mattheus werd landelijk bekend als een charmante en joviale broeder, waarvan je wèl moest houden. Er was nog meer. Zo was hij zeer begaan met de randfiguren in de maatschappij, die zich door hem aanvaard en begrepen voelden. Maar het meest mens was hij in de functie van ziekenverpleger. De behoeften van de zieken voelde hij feilloos aan, veel broeders heeft hij troostend bij kunnen staan in de laatste uren.
Toen de Sint Pauluscommuniteit in juli 2006 verhuisde naar Woonzorgcentrum Zuiderhout te Teteringen, viel dit broeder Mattheus heel zwaar. Hij miste vooral de pottenbakkerij en de dagelijkse contacten met bezoekers. Zijn gezondheid ging achteruit tot een onverwachte en zware hersenbloeding op 8 december een eind maakte aan zijn aardse leven. 

Mijn gedachten zwerven weg, de beelden komen vanzelf boven. Broeder Mattheus temidden van onze kloostergroep op het voorplein van de abdij voor een foto, broeder Mattheus op de fiets op weg naar de pottenbakkerij en weer later achter de draaischijf druk in gesprek met ons. En werd er overdag gelachen, tijdens het recreatieuur met broeder Mattheus was het eender. Op de vraag waarmee hij als etaleur de etalage moest inrichten, was zijn antwoord kort: ‘Met dameslingerie.’ Hilariteit. Soms was hij zo druk met zijn zieken, dat hij het koorgebed moest overslaan, terwijl juist dat de kloosterling adem geeft. Toen hij een kamer betrok in het woonzorgcentrum, mochten we als goede vrienden  komen kijken. ‘Het is de grootste kamer, maar niemand wilde hem’, liet hij aarzelend weten. Ik moest op een antiek stoeltje zitten, maar mocht vooral niet tegen de halfopen lade stoten. ‘Daar ligt Jezus te drogen.’ De beide armen van een klein Christusbeeld waren op schouderhoogte omwikkeld met rode tape. Onder de tape zat lijm en de halfopen lade gaf druk. Het werd gedrieën een kostelijk samenzijn.

Op een grijze decemberdag woonden we de uitvaart bij van broeder Mattheus. Deze vond plaats in de abdijkerk en aansluitend op het kloosterkerkhof. Een mooi gebaar van de Franse orde ‘Chemin Neuf’, die na een proefperiode het klooster heeft overgenomen. De lezingen uit 2 Tim. 1,7-12 en Matt. 25, 31- 40 werden gedaan door medebroeders. Pater Nico Wesselingh leidde de samenzang, broeder Wiro bespeelde het orgel. Abt Rien van den Heuvel tekende broeder Mattheus haarscherp. ‘Een markante monnik, hoe vaak ik dit woord de laatste dagen niet heb gehoord.’ Als tekst in de overweging koos hij ‘want ik weet Wie ik mijn vertrouwen heb geschonken’, woorden uit de eerste lezing. In warm terugblikken herdacht  Harrie Notenboom zijn broer. ‘Vader en ik hebben Mattheus in september 1952 ingeleverd. Zo heette dat. Onze moeder was niet in staat tot reizen. En toen ik trouwde korte tijd er na, was mijn broer daar niet bij. We zagen hem pas terug tijdens de viering op Aswoensdag. Door de jaren heen zijn de regels versoepeld en hoort hij er weer echt bij.’ Onder het zingen van ‘In paradisum deducant te angeli’ (Ten paradijze geleide u de engelen) werd broeder Mattheus uitgedragen. Weer was de groep broeders kleiner geworden; ze stonden er goed in, gedragen door hun geloof en de Benedictijnse spiritualiteit.

Koffie en bijpraten met goede bekenden. Een ongedwongen samenzijn, zo helemaal in de stijl van broeder Mattheus. Een mensenmens ging heen, vol Godsvertrouwen en overgave... 
    

Broeder Jan Pennock (1920 – 2009)   

Het wat schriele ‘postmeisje’ duwde met stijve wintervingers een stapel post in de brievenbus en even later sorteerde ik de binnengekomen post. Er waren twee brieven van de St. Pauluscommuniteit. De grote enveloppe van broeder Frans Huiting opende ik als eerste. Zijn schrijven is altijd warm en humorvol met onderliggende diepte. Maar toen…
‘Ik moet deze brief abrupt afbreken, omdat wij vanmorgen onze broeder Jan Pennock dood in zijn appartement hebben aangetroffen’. Broeder Frans gaat verder dat het vermoedelijk om een hartstilstand gaat. ‘Als huisoverste heb ik de taak de annonce op te stellen en de adressenlijst te selecteren: hoe eerder hoe beter.’ Met een rare trilling in de vingers opende ik de kleinere enveloppe. Hoeveel van deze overlijdensberichten had ik al niet gehad? Het crème papier over de gehele breedte gevuld met een brok tekst in hoofdletters.

Broeder Jan Pennock werd als oudste van een gezin van zeven kinderen geboren in Amsterdam in 1920. Zijn liefde voor de liturgie ontwaakte in de Rozenkranskerk aldaar en leidde tot intreding als benedictijn in de St. Paulusabdij in Oosterhout, waar hij op 11 juli 1945 professie deed. Als kleermaker sneed hij habijten en naaide ze kunstig in elkaar. Zijn creativiteit begon zich steeds meer te roeren, wilde naar buiten. Met een medebroeder richtte hij een literaire club op, maar de grootste voldoening vond hij in het boetseren van koppen in klei en andere kunstvoorwerpen. Hij werd een gewaardeerd lid van de ‘Vrachelse Club’, een groep kunstenaars van naam. Elke week schoof hij in zijn habijt aan bij deze club van vrienden en wist zich begrepen en erkend. En toen de communiteit uiteindelijk verhuisde naar kloosterbejaardenoord ‘Zuiderhout’ in Teteringen, verhuisde ook de gehele collectie kunst mee en zaten zijn fantasierijke poppen als kinderen om hem heen. Het was goed.  

Zo stil is hij op 14 januari afgereisd, zonder iemand te groeten. Een beetje zoals Henoch.
De leeftijd bereiken van 88 jaar en dan zonder lijden de poort door mogen gaan naar de wereld van het Licht. Het zij broeder Jan zeer gegund.
Op tafel nog lag zijn laatste brief, gedateerd 8 januari 2009. Volkomen helder en foutloos geschreven in een hartelijk meeleven met de dingen waar ik hem over schreef. ‘We hebben nu eenmaal niet alles in de hand’, troostte hij. Dat schrijven komt nu in een ander licht te staan.

Broeder Jan Pennock herinner ik me als soms een hoekig mens. Hij voelde zich vaak onbegrepen. Maar kreeg je de kans de weg naar zijn hart te vinden, dan was zachtheid de beloning. Haarscherp staan de beelden op mijn netvlies van gesprekken in zijn atelier, waar kunst de toon zette. Niet alleen in het keramisch werk, klassiek of modern, niet alleen in zijn kleurige poppen, maar ook in de fotografie. En toen Louis van Dijk ooit de St. Paulusabdij bezocht voor de kloosterserie ‘Kruispunt’ zat broeder Jan naast het zijpad, gewapend met camera. Zo kon hij snel een foto maken. Op een ander moment zag ik tijdens een wandeling in de kloostertuin broeder Jan een foto maken van een boom, die ziek was en binnenkort het veld moest ruimen. Aan zijn arm hing achteloos de wandelstok.
Schrikken was het op die 2e november 2004. Hij ging tegenover me zitten met de woorden: ‘Theo van Gogh is dood!’ Het was alsof er een koude wind door mijn binnenste ging. Maar broeder Jan, die is toch al lang dood?’ antwoordde ik denkend aan de broer van Vincent van Gogh. “Nee, nee, die bedoel ik niet antwoordde hij kribbig, ik bedoel de programmamaker. Vanachter de kloostermuren volgde hij het nieuws in de wereld met grote aandacht.

Broeder Jan, hij is aan de Overzijde, bij al zijn dierbaren, bij Christus. Wat ons rest zijn dierbare herinneringen en tastbare kunst, diep doordacht. Ik stond op en nam de monnik uit de kast,  gecreëerd door zijn hand. Ondanks de koele stijfheid van het materiaal leek de monnik warmer en zachter te worden. Dat broeder Frans Pennock moge rusten in vrede…

 

 

Zr. Damiane
(1923 – 2006)

En weer viel er een overlijdensbericht van een dierbare kloosterling op de deurmat. Nu was zr. Damiane, Franciscanes van de St. Nicolaasstichting in Denekamp, de geroepene. Door mijn droefheid liep ook pijn en heimwee om het verlies van deze daadkrachtige vrouw. Pijn vanwege het gemis, heimwee naar de geborgenheid die zij me schonk. Twee weken voor haar sterven belden we nog geruime tijd met elkaar. Haar stem klonk broos, de pijn en het ongemak kregen steeds meer de overhand. Ik kreeg haar aan het lachen door herinneringen op te halen. We spraken af dat vooral te onthouden en te koesteren.

Ook in deze rouwbrief stond weer veel te lezen. Na een aantal jaren gewerkt te hebben in de zwakzinnigenverpleging werd zij adjunct-directrice van het St. Elisabethziekenhuis te Almelo, was vervolgens overste van de zusters in het St. Jozefziekenhuis te Enschede, had daarna een leidende functie in verpleeghuis ’t Kleyne Vaert in Enschede en weer later was ze als overste bij de nieuwbouw van een verpleeghuis in Lochem betrokken. Ze vertrok naar Denekamp, werd opnieuw overste, nam zitting als raadszuster in de Provinciale Raad. Na het bekleden van nog enkele functies streek ze voorgoed neer in Denekamp voor een welverdiende rust. In deze periode raakte ze bevriend met wijlen kardinaal Willebrands, daar ook woonachtig.

Zr. Damiane was mijn eerste kloostercontact. Ik belde haar in 1993 met de vraag of onze liturgiegroep van gedachten mocht wisselen met de liturgiegroep van de St. Nicolaasstichting. Was ze in eerste instantie terughoudend, na nog een telefoongesprek gaf zij zich gewonnen. Het was een onvergetelijke dag.
In de persoonlijks sfeer werd onze vriendschap zeer hecht. Regelmatig zocht ik haar op, vaak belden we langdurig met elkaar. In moeilijke tijden nam ze mee in de gebeden. Ze werd een tweede moeder voor me. Haar humor, zo vertelde ze, had haar overal doorheen getrokken. Er waren voorbeelden te over. Ooit had ze vanwege een ‘Assepoester-gevoel’ getwijfeld  aan haar komaf. Op een veilig moment ging ze op zoek naar het trouwboekje van haar ouders. Het was duidelijk, ze bleek hun kind te zijn. Onder het vertellen schoot ze in de haar zo eigen lach.

Lieve zr. Damiane, u bent op de plek waar we het vaak over hadden. U ontmoet nu uw en onze geliefden. Dat u onze voorspreker mag zijn…

 
 

Pater Henk Vergeer
(1929 – 2006)  

Op tafel ligt het overlijdensbericht van Pater Henk Vergeer, hij werd 77 jaar. Ik ben bedroefd. Bedroefd vanwege een beginnende vriendschap, die bruut is afgebroken.
Tijdens een retraite bij de zusters Trappistinnen in Berkel-Enschot ontmoette ik Henk gedurende zijn verlofperiode. We waren als enige gasten op elkaar aangewezen. En het was niet slecht in zijn nabijheid te verkeren. Als missionaris in Oeganda had hij veel te vertellen over het schrikbewind van Idi Amin. Maar ook over de diepere dingen was het goed met Henk van gedachten te wisselen. Alleen waar het de Eucharistie en het Onze Vader betrof, zaten we niet op één lijn. Henk verbaasde zich er over dat hij mij in de kring van zusters zag staan voor het ontvangen van brood en wijn. Ik op mijn beurt kon hem niet bijhouden in de gebeden.

De rouwbrief vermeldt een indrukwekkende staat van dienst. In 1956 begon hij als missionaris in het bisdom Totogo. Achtereenvolgens werd hij benoemd in het Kumi Teso district, het Bukwa Sabei district en in Sipi. In Kaproron, het hart van Sabei, bouwde hij een missiepost. Daarbij stelde hij de moeilijke Sabei taal op schrift. Vervolgens werd hij benoemd in Butiru en Magale. In beide missies bouwde hij een nieuwe kerk en een nieuwe pastorie. Hij sloot zijn Oeganda-periode af als aalmoezenier voor de ‘Sisters of Mary’.

In 2005 keerde deze dienstbare priester definitief naar Nederland terug. Vierde zijn 50-jarig Priesterfeest en werd benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau. Hij nam zijn intrek in het Sint Jozefhuis in Arnhem bij andere missionarissen. Het werd een ontspannen periode, waarvan hij zeer genoot. Veel lezen en wandelen, ook leerde hij e-mailen.
Maart 2006 schreef hij Rector Paul in O.L.V. abdij van Koningsoord te gaan assisteren in de Stille Week. Of ik ook naar de zusters Trappistinnen kwam? Hij zag er naar uit. Ik schreef terug deze dagen altijd bij mijn dierbaren door te brengen. In diezelfde brief maakte ik melding van de tragedie die zich heel langzaam in ons gezin voltrok. Hij was geschokt en schreef troostende brieven in zijn karakteristiek handschrift.

Nu is hij aan de Overzijde, de plek waar hij steeds meer naar toeleefde. ‘In overgave’, zo staat in zijn rouwbrief. En zachtjes voeg ik toe: ‘En in dienstbaarheid’…

maandag 7 juli 2014


 


In welke woorden vinden nabestaanden troost?
Welke tekst willen mensen zelf, wanneer het zo ver is, boven hun rouwbericht?
Naast een veelvoud van bijbelteksten, psalmen en liederen
ontdekte ik ook andere woorden.
Een jaar lang noteerde ik…

 … de dood is slechts het doven van een kaars
omdat de nieuwe dag is aangebroken…

***

Het is waar, de dood kunnen we niet ontgaan.
Dat is niet erg. Want dan begint de grote logeerpartij
bij een gastheer, die zo boeiend is dat de tijd volledig
stil gaat staan en eeuwig wordt.

Godfried Bomans

***

nu ben je weg
ver van de dood
dichtbij het licht.

Lucebert

***   

En het is altijd zo geweest
dat de liefde
haar eigen diepte niet kent
dan op het uur van de scheiding.

***
 
Ik wou dat ik nog nieuw was als dit blad.
Nog wit. Nog zonder woorden. Een begin.
Dat ik nog worden kon en nooit meer was.

Michel van der Plas
 
***

Eenmaal zul je sterven,
niet omdat je ziek bent
maar omdat je leeft.
 
***

maar vroeg of laat
verschijnt het land
dat elk verstand
te boven gaat

waar ik volmaakt
opnieuw ontmoet
die ik voorgoed
was kwijtgeraakt

Jean Pierre Rawie

***
 
Doe mij binnengaan
in het oord van rust en vrede
dat genoemd wordt met Uw naam.
Licht van licht, ontferming, hemel.
Liefde is Uw naam.

Huub Oosterhuis

***

Wie weet of, wat men sterven noemt,
niet eigenlijk het leven is,
of het leven eigenlijk sterven is?
Want de mensen die het licht nog zien
moeten nog altijd lijden;
maar allen die gestorven zijn,
die lijden niet meer,
zij zijn van alle pijn bevrijd.

Euripides

***
 
Langzaam zie ik hen gaan
die ik nog bij me had,
de bocht om van het pad.
Wat gouddoorschenen stof,
Dan wordt het in de hof
nog stiller dan voorheen.
De liefsten. – Eén voor één.

Ida Gerhardt
 
***

De aarde is een
stukje armer geworden
de hemel een stuk rijker

***     

‘Wij zijn allen gekomen op deze wereld als
reizigers, heden hier, morgen daar.’   

 ***   
                                                                                                                                                                                                     
Het is zo stil en wit dit rusten,
zo slapen enkel Gods gekusten.
Zo vredig licht en grondloos diep.

De tijd valt lang voor hen die waken.
Maar God zal samen wakker maken,
die hij gescheiden tot Zich riep.

Willem de Mérode

***                            

Ik heb een steen verlegd
in een rivier op aarde,
Nu weet ik dat ik nooit zal zijn vergeten
ik leverde bewijs van mijn bestaan.
Omdat door het verleggen van die ene steen
de stroom nooit meer dezelfde weg zal gaan.

Bram Vermeulen

***               

God had de boeken dicht gedaan,
En zou het grote vonnis spreken.
Toen dorst hun stem de stilte breken:
O Here Jezus neem ons allen aan!

En ’t bonzend hart dat ze in zich vonden,
Was vlekkeloos en zonder zonden.

Willem de Mérode

***           

‘Dan zullen wij vrij zijn en zullen zien,
zullen wij zien en liefhebben,
zullen liefhebben en prijzen.
Zie, zo zal het zijn aan het einde zonder einde.
Want wat is ons einde anders dan in het rijk
aan te komen dat zonder einde is?’

Augustinus

***      
 
Muziek maakt hoorbaar
en eeuwigheid ervaarbaar.

Anselm Grün

***                      
 
Hart van de hemel,
hart van de aarde,
wil elkaar raken
opdat wij mensen
niet zo verloren staan.

Marijke de Bruijne

***                                                                                                                                                                                              
De dood is de horizon van ons leven,
maar de horizon is niets anders
dan de grens van ons gezichtsveld. 

***   
 
‘Vuur van liefde, eeuwig leven
nieuwe aarde is uw naam
in uw oord van rust en vrede
doe mij binnengaan.’

 ***            

Als het donker genoeg is
worden de sterren zichtbaar.
 

 ***

Gij hebt, o God, dit broze bestaan gewild,
hebt boven ’t namenloze mij uitgetild
 Laat mij dan dankbaar leven de volle tijd,
geborgen in de bevende zekerheid,
dat ik niet uit dit smal en onvast bestand
van mijn bestaan zal vallen dan in Uw hand.

Ad den Besten    

*** 
 
… want sterk als de dood is de liefde…

Huub Oosterhuis

***  

Afgevaren om te gaan
naar de ankerplaats
waar de ziel mag rusten
Aan vredige wateren

***

Gelezen heb ik wat geschreven staat,
mij toevertrouwd aan onbewezen woorden:
niet voor de afgrond hebt Gij ons gemaakt.
Geschreven staat uw Naam: Ik zal er zijn.

Huub Oosterhuis      

***  

Wetenschap brengt ons kennis,
kennis maakt ons beter,
maar ons blijven de mysteries. 
                               ***                                                                                                                                                                                                                        
De late dood is goed
van ’t leven hier verzadigd
sterf ik straks bemoedigd
Als die de Dag begroet.

 ***          

Als ik op de drempel sta
laat ik dan in Uw hand
mijn hand mogen leggen.
Dan zal mijn dood geboorte zijn.

                                  ***        

De taak van de mens is mens te zijn.

Albert Schweitzer
                           
***             

Afscheid nemen is met zachte vingers
wat voorbij is dicht doen en verpakken
in goede gedachten ter herinnering.

Dietrich Bonhoeffer
         
***            

Toch is er één die al dit vallen
teder in zijn handen houdt.

Rainer Maria Rilke

***        

Morgen is het licht
licht als het zonlicht in het water
licht als het maanlicht op de velden
licht als het licht in de morgen
is het licht.

Remco Campert

***
                          
Zijn is de ziel, is luisteren is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgelicht.

Ed Hoornik

***   

Doodgaan is liefde en leven
uit handen geven,
zodat anderen het
verder kunnen dragen
uitzaaien en er de
vruchten van kunnen plukken.

 
***

Juist als het donker wordt,
worden de sterren zichtbaar.

Winston Churchill

 *** 

Niemand wacht want je bent er nog,
niemand neemt afscheid want je gaat niet weg.

R. Kopland
 
***                 
 
En niemand  valt of hij valt in Uw handen,
en niemand leeft of hij leeft naar U toe.

Huub Oosterhuis    

 ***     

De mens is  voor een tijd een plaats van God.

Gerrit Achterberg

                                 ***           

Het is allengs een onomstotelijk weten
Dat gij vernieuwd zult wezen en herschapen
Wanneer men van U schrijven zal ‘ontslapen’. 

                                  ***