Overbrugd

Overbrugd
Posts tonen met het label diversen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label diversen. Alle posts tonen

zondag 18 maart 2018


Je hebt met ieder ikoon een gevecht

Ikonen zijn tweedimensionale beelden van Christus, de Moeder Gods, engelen, heiligen en van de feesten van de kerk. Bij het bidden voor de ikoon staat de gelovige oog in oog met de heilige, die door de ikoon fysiek aanwezig is. Maar hoe zit het met de schilders van deze ‘vensters op de eeuwigheid’? Jansje Aaltink-Schotman, vrijwilligster in het Ikonenmuseum in Kampen, licht een flinke tip van de sluier op.

Wanneer ik het huis van Jansje binnenga, voel ik me liefdevol gadegeslagen door vele ogen. Gang en trappenhuis hangen vol heiligen. Voeg daarbij de Sallandse gastvrijheid en dit bezoek belooft veel. Ademloos bekijk ik haar werk in de huiskamer: de ikoon van ‘Jezus en de Samaritaanse vrouw' maakt stil, voor ‘Christus Pantocrator’ (Albeheerser) brandt stil een godslamp.

Jansje gaat me voor naar haar atelier en dat is opnieuw verbazen over een ruimte waar ternauwernood nog plek is om te zitten. Ikonen, potjes met geheimzinnige namen, boekjes bladgoud, kwasten en mij onbekend gereedschap. Een goede ruimte om in gesprek te gaan over deze vorm van religie.

Waar ligt je eerste ontmoeting met ikonen?
‘Ooit las ik in de krant over een ikonententoonstelling van Morsink te Hengelo. Ik wist helemaal niet wat ikonen waren, maar het aureool er omheen, Heiligenschein zeggen ze Duitsland, had iets mystieks, iets wat ik niet grijpen kon, maar wel voelen. Weer later zag ik een tentoonstelling van ikonenschilderes Ellen Zomer in Denekamp. Ik dacht: ‘Dit is het, hier heb ik naar gezocht!’ Via Zomer kwam ik terecht in Duitsland en kreeg ik les van ikonenschilderes Irina Globitz. Ze komt uit de voormalige DDR, heeft gestudeerd aan de Akademie in Wenen met als hoofdvak ikonen en restauratie van ikonen. Van haar heb ik ontzettend veel geleerd.’

 
Wat vindt ze van je werk? Ze zei eens: ‘Jij bent mijn beste leerling, jij kunt heel goed les geven.’ Ik doe dat sporadisch, maar treed liever niet op de voorgrond. Ikonen schilderen is heilig, een schilder mag een ikoon nooit signeren op de voorkant. Niet de schilder wordt vereerd, maar de afbeelding.’
 
Hoe verloopt het proces? ‘Dat verloopt in zes stappen.’ Al pratend schetst ze het verloop.
‘Stap 1: om een betere verbinding met de lijmlaag van hazenlijm te verkrijgen wordt het houten paneel ingekrast;
Stap 2: na het lijmen wordt het linnen op het paneel geplakt. Hiervoor wordt ook weer hazenlijm gebruikt;
Stap 3: na het linnen wordt een krijtlaag, de zogenaamde levkas, aangebracht. Deze bestaat uit 6 tot 12 lagen. Na het drogen wordt de levkas geschuurd;
Stap 4: de tekening wordt op het paneel aangebracht. Na het aanbrengen van de tekening wordt het bladgoud aangebracht;
Stap 5: de grondkleuren worden aangebracht;
Stap 6: het eindresultaat. Met assist worden de fijne goudlijntjes gemaakt.’

Inmiddels heb je ruim 200 ikonen geschilderd. Verkoop je ook ikonen?
‘Ja, ik verkoop alleen aan mensen die een ikoon weten te waarderen. Ik ben niet uit op winst, maar op deze manier kan ik weer nieuw materiaal kopen. Bij bijzondere gelegenheden schenk ik een ikoon, zoals aan het Overijssels Byzantijns Mannenkoor, dat toen bezig was met een inzamelingsactie voor een kindertehuis in Rusland. In opdracht werk ik ook. Een broer vroeg me een ikoon te schilderen van Petrus omdat hij zich vaak Petrus voelde; voor een andere broer, hij is apotheker geweest, schilderde ik Panteleimon met medicijnkist en lepel; hij is de heilige van artsen en apothekers.’ 


Exposeren?’ Er zijn al meerdere exposities geweest. Het is fijn om iets door te kunnen geven.’

Wanneer ik rondkijk zie ik veel afbeeldingen van de Moeder Gods, Christus Pantocrator en enkele apostelen. Schilder je ook gebeurtenissen uit de bijbel?
 
 
‘Dat is eigenlijk mijn hoofdvak. De verhalen uit de bijbel inspireren me om door te gaan met schilderen.’ Ze wijst naar de bovenste rij ikonen en noemt de verhalen: ‘de aankondiging’, ‘de geboorte’, ‘Simeon in de tempel’, de doop in de Jordaan’, ‘de verheerlijking op de berg’. In de andere kamer heb ik ‘de intocht in Jeruzalem, ‘de voetwassing en ‘het Laatste Avondmaal’. En daar hangt een rij apostelen.’ Jansje rommelt ondertussen in de laden en geeft uitleg over vast bladgoud (transfer) en los bladgoud (polyment). Ze vertelt over de verschillende scholen en hun stijl van schilderen. Het duizelt.


Gebeurt er iets met Jansje Aaltink tijdens het ikoonschilderen?
‘Hoe meer je er mee bezig bent, hoe meer inspiratie je krijgt en hoe meer blijheid van binnen. Je hebt met ieder ikoon een gevecht; er komt altijd een moment dat je denkt ‘het wordt niks.’   
Uiteindelijk wordt  het toch wat.’ Nadenkend: ’Ik doe het ook uit liefde voor de Heer, dat is de drijfveer. Jezus is alles voor mij. Ik loop er niet mee te koop, maar ik kan Hem niet missen. Hij is voortdurend bij me. Ik heb het gevoel dat Hij mijn hand leidt tijdens het schilderen en dat Hij er achter staat.’ijHij  

Wat hoop je door te geven met deze vorm van religie?
‘Door het ikoonschilderen ga je de bijbel beter lezen en dat maakt rijk. Maar ook door een ikoon bekijken komt er veel los in je binnenste.’ Even is ze stil.Het meest mooie zal zijn als er een ikoon van mij in een kerk komt te hangen. Want daar horen ze thuis…’
 

maandag 24 april 2017


De Holocaust heeft veel gezichten 

 
Waarom wil ik naar het Poolse vernietigingskamp Auschwitz? Ik heb toch Theresiënstad, Natzweiler en Buchenwald in verbijstering gezien. Krakau aandoen zonder een bezoek te brengen aan het 54 km westwaarts gelegen Auschwitz is onmogelijk. Ik ga.

Een parkeerplaats vol auto’s, bussen rijden af en aan met bezoekers, bankjes voor toeristen in afwachting van toegangskaarten, terrassen met koffiedrinkers. Sta ik hier echt voor de poort Auschwitz? De gids deelt koptelefoons uit, we gaan door de poort, boven ons staat het wrange opschrift ‘Arbeit Macht Frei’ in haast sierlijke letters.


Op deze plek speelde het orkest van gevangenen iedere ochtend en avond voor de dwangarbeiders als ze vertrokken en terugkeerden.

De gids vertelt: ‘Ooit was dit een voormalige Poolse legerkazerne, maar in 1940 begonnen de nazi’s hier een concentratiekamp voor 10.000 politieke gevangenen. Ze werden ondergebracht in deze bakstenen barakken. Eigenlijk is Auschwitz 1 een soort museum. De plek is gekozen omdat hier een spoorwegknooppunt lag en geen grote stad in de nabijheid.’ Ze gaat ons voor naar blok vier, er over lezen is verlammend, de werkelijkheid is erger. Haar van gedeporteerden als een grauwe berg achter glas, in de volgende vitrine koffers in alle maten met namen in kloeke of onbeholpen letters.


Ik lees Adler Georg, Frischmann Hedwig. Opgestapelde prothesen en krukken, brillen, schoenen, pannen en bekers als een kleurige berg. Alles werd meegenomen, ze zouden het immers terugkrijgen bij vertrek? De gids brengt ons naar een ander blok; gangen met foto’s van gevangenen, starre gezichten, wijdopen ogen.


Lang kijk ik naar Eugeniusz Mitas met zijn heldere blik, een Poolse student, geboren in 12-06-1921 overleden in 14-06-1942. Foto’s van bange tweelingen gebruikt voor experimenten van de gevoelloze Mengele. En wilde men ontsnappen, dan mocht men nadenken in dit isoleergebouw waar duivelse straffen werden uitgevoerd. We zien de cel van pater Kolbe, een franciscaan, vermoord wegens verzetsactiviteiten. In deze ruimte trok de paus zich vorig jaar terug om te bidden. Op de nabijgelegen fusilladeplaats liggen bloemen, staan kaarsen.


Een grote foto tussen twee palen laat een executie zien. Heftig. Ik kijk naar iets zachts om te ‘overleven’.
 
Vier in het wit geklede religieuzen staan stil, ze lezen. Engelen? Iemand zegt: ‘En hier was God dus niet’, maar ik zie in dat stuk brood wat de ene gevangene de ander toeschuift, of die warme jas, of die troostende arm toch een stukje God. Mensen kijken verschillend, de verbijstering is gelijk. Voor iedere natie die slachtoffers heeft te betreuren is een blok toegewezen als ‘museum’. Het Nederlandse onderkomen laat een film zien van de aanvang van de oorlog en het verloop, foto’s van razzia’s, treinen die vanuit Westerbork vertrokken. Ik lees de uit de trein gegooide briefjes vol hoop.

 
Auschwitz 11-Birkenau ligt 3 km verder. Dit kamp is intact gelaten, de gids waarschuwt, een paar mensen trekken zich terug, dan gaat ze ons voor door de poort. Achter het poortgebouw is een enorm terrein. Van de 300 barakken zijn zoveel mogelijk de schoorstenen gespaard als monument.


We volgen de spoorlijn en komen op de plek waar de kapo’s de gedeporteerden met een kleine vingerwijzing selecteerden. Grote borden met foto’s tonen de beelden, het is nauwelijks te bevatten.

Aan het eind van de spoorlijn bevinden zich de ruïnes van de gaskamers en verbrandingsovens. De nazi’s vernielden ze zoveel mogelijk om hun duivelse praktijken uit te wissen. As en botten werden als mest gebruikt of in de nabije vijver gestort; op het water ligt een eigenaardig vlies. Er is een bescheiden monument met bloemen.


We wandelen lang het monument ter ere van de slachtoffers dat in 1967 werd onthuld.

 
Op twintig naast elkaar liggende plaquettes staat in verschillende talen dezelfde tekst: ‘Laat deze plaats eeuwig een kreet van wanhoop zijn en een waarschuwing aan de mensheid. Hier hebben de nazi’s omstreeks anderhalf miljoen mannen, vrouwen en kinderen vermoord, voornamelijk Joden uit verschillende Europese landen.’ Op de weg terug leidt de gids ons door de barakken, we zien de latrines, we zien de slaapplekken, drie boven elkaar met houten bodem. Wat er gebeurde bij dysenterie laat zich gemakkelijk raden. Getallen spreken van 1.1 miljoen Joden, anderen schatten het aantal slachtoffers nog hoger. 

 
Aan het eind van deze dag probeer ik het geziene te ordenen. Hoe verging het de mensen die overleefden? De meesten begonnen een nieuw leven, wilden er nooit meer over praten. Uiterlijk leken ze normaal, van binnen waren ze kapot. Heeft de mensheid geleerd van het gebeurde of komen de jaren dertig griezelig dichtbij? Alarmerende toename van het antisemitisme, groeiende  bezorgdheid over de binnen- en buitenlandse politiek, ongekende wreedheden in veelvoud in zoveel landen! De wereld gruwt maar lijkt niet bij machte het te keren. Eindeloze rijen vluchtenden voor oorlogsgeweld, zoekend naar veilige oorden, velen bezwijken door ontbering. Slechts een greep uit het gebeuren van de laatste jaren. Op vier mei herdenken we het leed van toen, staan we stil bij het leed van nu, de Holocaust heeft veel gezichten en mag niet verjaren! Het kwaad zal blijven, maar wij, wij kunnen het kwade bestrijden door steeds maar weer op zoek te gaan naar het goede; in protesten en daden…
 

dinsdag 17 januari 2017


Landgoed De Braak op 7 januari 2017  (1)

Poëzie van Ivo de Wijs

De Braak is een monumentaal parkbos in Paterswolde, in het noorden van Drenthe. Alles is aangelegd in de 19e eeuw in landschapsstijl. Kronkelende laantjes, spannende doorkijkjes en sierlijke vijvers maken het spannend. Beuken die met de toppen van de bomen in elkaar zijn vervlochten.
Is het bos in de lente, is het in de zomer, is het in herfst van grote schoonheid; in de sneeuw is het zo mogelijk nog mooier…



 

Oh ouderwetse winter
De wind van hier naar ginter
De bloemen op de ruiten
De weidse witheid buiten
De kreet: wat is het koud
De sneeuw op alle takken
De bijten en de wakken
De arren en de sleden
De aarzelende schreden
Op ijs van één nacht oud
De hongerige spreeuwen
De hondsbrutale meeuwen
De pegels aan de goten
De dichtgevroren sloten
De melk met anijs
De warme chocolade
De albums van Verkade
De hemel blank en helder
Gevlucht voor sneeuw en ijs
Oh winter
Paradijs

 
 
 

Oh ouderwetse winter
De stayer en de sprinter
Die hoopvol of verbolgen
De thermometer volgen
Totdat het rotding barst
De Friezen op de noren
In Dokkum en Stavoren
Waar heit en mem en beppe
Niet fierlen en niet jeppen
Maar schaatsen om het hardst




Winterimpressie op landgoed De Braak in noord Drenthe met poëzie van Ivo de Wijs  (2)


 



De korte donkere dagen
De stamppot in de magen
Het kopen en het zoeken
Van wanten, sjaals en broeken
Het vegen van de stoep
De hoge thermostaten
De glibberige straten
De afgesneden dorpen
Het griezelige slorpen
Van veel te dikke soep
Oh winter
Wat een troep



 

 Oh ouderwetse winter
Oh ingezworen splinter
De tintelende wangen
Het kerstfeest met gezangen
De inkeer en de lol
De ongezouten hekel
Aan strooigoed en aan pekel
De klapperende tanden
De opgewonden handen
Van weerman Erwin Kroll
De vloek der elementen
En dan opeens … de lente
De grutto’s in de polder
De schaatsen naar de zolder
De klompen in de haard
Ik sta na ruim drie maanden
Me aan al het bestaande
Al gapend te vergapen
Wat heb ik lang geslapen
Maar ’t was de moeite waard














woensdag 28 december 2016


Het Ikonenmuseum te Kampen in kerstsfeer…

 
Timmertoren in volle glorie
 
 
Atrium voor een rustig moment

 
In de Timmertoren

 
                                              Kerstgroep uit Zuid-Duitsland
                                                                   
 
Zo ziet de Rode Hoek er  uit bij de Rus
 
                           

Winkeltje

 
Doorkijkje
 

donderdag 22 december 2016


De onvrijwillige actrice

Het gegeven was bescheiden: de Museumjaarkaart bestond 35 jaar en wilde dat vieren met een promotiefilm over 35 kleinere musea. Een filmpje van een ruim een minuut, waarin vrijwilligers mochten vertellen wat het museum voor hen betekende. Het Ikonenmuseum mocht meedoen en dat was een welkome reclame.

Het bestuur van het museum had twee mensen op het oog, één daarvan was ik. Ik houd niet van die dingen en stribbelde tegen. Maar er werd op aan gedrongen en toen een goede collega nog eens stevig op me insprak, stemde ik toe met in mijn achterhoofd de gedachte dat we met ons tweetjes zouden zijn. Dat bleek naderhand niet zo te zijn: de klus was voor mij alleen.

Op een dinsdagmiddag kwam het team binnen: een dame en twee heren nog heerlijk jong en blakend van creativiteit. Filmspullen werden uitgepakt en bij koffie werd met verteld wat de bedoeling was. Men wilde mijn verhaal horen, wat het museum met mij deed.
 

De technicus stelde de apparatuur in, de regisseur keek uitnodigend en de dame blikte bemoedigend. En toen ik uitgerateld was, riep het drietal: ‘Aly toch, we kunnen om half vier al weg!’

 
Toen kwamen de filmopnamen aan de beurt. De cameraman zocht naar een goede achtergrond, de andere twee liepen beurtelings op aanwijzingen van de cameraman langs de ikonen. Vervolgens kreeg ik de opdracht hetzelfde te doen. Soms keken bezoekers verbaasd en vroegen of het voor TV kwam. Aan het eind van de middag leek het of we elkaar al jaren kenden en bij het afscheid werd ik door alle drie omhelsd. Dank je wel Esther, dank je wel Hidde, dank je wel Sander.

Later, toen alles klaar was stuurde Esther een e-mail:

Lieve Aly,
Wat ben ik blij om van je te horen, we zijn zelf heel erg tevreden over jouw filmpje.
Het was ontroerend en dat kwam mede door jouw verhaal.
Misschien komen we elkaar ooit nog eens tegen en alvast een fijn weekend gewenst.
Liefs,
Esther

Achteraf was het een heel leuke ervaring…

www.youtube/museumvereniging  vervolgens naar video’s

donderdag 8 december 2016

Expositie van Jan van Vuuren in het Noord-Veluws Museum.

Met het 'Huisje aan de Zoom' is de tentoonstelling in beeld gebracht. Het schilderij maakt nieuwsgierig naar ander werk van Van Vuuren. In het Noord-Veluws Museum is een prachtige collectie te zien. Naast werk van genoemde schilder, komen ook andere Veluwse schilders aan bod. Bijzonder is dat veel particulieren werk in bruikleen hebben gegeven.

                                                 
Sinds 1 november 2014 heeft Nunspeet een eigen museum. In navolging van de beroemde kunstenaarskolonie Barbizon bij Parijs ontstonden in de loop van de 19e eeuw overal in Europa kunstenaarskolonies. Zo ook in Nunspeet. En dat resulteert nu tot een veelbelovend museum.
Mooie ruimtes, speels van indeling. En een museumwinkel waarin veel aanbod is.

                                                     
Heel romantisch is 'Winterlandschap bij ondergaande zon'. Prachtige luchten geven dit schilderij een zekere speelsheid. De kou is voelbaar, fraaie bomen. (Jan van Vuuren)
 
Meer dan honderd beeldende kunstenaars hebben tussen 1885 en 1950 in deze regio gewerkt. Dat leverde prachtige beelden op van de Veluwe. Bekende schilders die zich uitleefden op doek zijn naast Jan van Vuuren onder meer Herman van der Weele, Arthur Briët, Ben Viegers en Chris ten Bruggen Kate.
 
Jan van Vuuren (1871 - 1941) was afkomstig uit de Alblasserwaard. Na zijn opleiding in Dordrecht en Den Haag legde hij in de impressionistische stijl van de Haagse School met grote toewijding de omgeving vast. Door zijn geraffineerde toepassing van het perspectief  wordt de toeschouwer de laantjes  en straatje ingetrokken. In 1903 vestigde hij zich in Nunspeet,  de Veluwe werd zijn muze.
                                                     
Huisjes aan de Zoom waren voor de kunstenaars in Nunspeet interessant door hun vorm en hun eigen sfeer die er omheen hing. Groezelig pleisterwerk op de muur, een paar kippen, een waterput, de puurheid van het simpele bestaan. (Jan van Vuuren)
                                                     
\
 
 
                                                          
Van Jan van Vuuren
de Sjoel in Elburg in de Graaf Hendriksteeg

Ook van Jan van Vuuren
Straatje in Elburg






Tot slot een sneeuwlandschap van Arthur Briët (1867 - 1939).
Het dorp Elspeet in de sneeuw. Ongereptheid en stilte...

 

dinsdag 7 juni 2016


Een gat waar God geen weet van leek te hebben 

Al een paar nachten had de vraag mij wakker gehouden nu de gelegenheid er lag. Gaan of niet gaan? De tragiek van de vorige eeuw meenemen naar de nog blanke bladen van deze eeuw. Had het zin? Steeds voelde ik het zachte verwijt van de slachtoffers van concentratie­kamp Struthof-Nat­zweiler. 'Telde ons lijden minder dan ander lijden?' Ik ging.

De weg klimt gestaag in beurtelings lichte en donkere vlakken op het wegdek. Dat komt door de wisselende dichtheid van de bossen. Het is rustig in dit gebied van de Vogezen. De iets verder gelegen Route du Vin is de toeristen­trekker. Niet ieder wil die confrontatie met het zwarte gat in de geschiede­nis van de twintigste eeuw. Een gat, tomeloos diep, waar God geen weet van leek te hebben...

 
Natzweiler is een gehucht in de Vogezen, ongeveer 45 kilometer westzuid­west van Straatsburg, dichtbij Rothau en Schirmeck. Boven Natzweiler ligt de bergtop La Roche Louise. Ooit was dit een geliefd ski-oord, waarin hotel 'Le Struthof' de plek was voor aangename verpozing. In dit eenzame gebied, onge­veer 900 meter hoog, geteisterd door ijzige winden en hopen sneeuw bedacht ss-Standartenführer Blumberg in 1940 dit concentratiekamp. Nat­zweiler werd verklaard tot NN-lager: een Nacht und Nebel-lager. De gevangenen in dit kamp moesten spoorloos verdwijnen. De verblijf­plaats werd voor familie geheim gehouden. Het ging om Fransen, Nederlanders, Russen, Noren, Polen, Duitsers, zigeuners, joden, maar vooral om politieke gevangenen.

De parkeerplaats ligt er op dit vroege middaguur rustig bij. Slechts hier en daar een bezoeker. De zon maakt door haar aarzelen het licht diffuus.
Waar mensen ooit in drommen naar binnen werden gedreven is nu een keurig draaihekje: één voor één in eigen tempo. Al meteen valt de soberheid bij de entree op. Geen commer­cie. Het meisje achter het loket lacht vriendelijk en reikt ons de Franstalige informatiefolder aan. De looprichting begint bij het museum. Dit is ondergebracht in een daarvoor in stand gehouden barak.

Foto's en ander materiaal zijn per concentratiekamp overzichtelijk geschikt. Het is een gang langs Auschwitz, Neuengamme, Buchenwald, Mautthausen... Niet weer te geven leed in niet weer te geven wreed­heid. Veel informatie betreft Natzweiler. Het kamp bood plaats aan 8000 gevan­genen. In totaal waren hier tussen de 20.000 en 25.000 mensen weggestopt.
Septem­ber 1944 werd het kamp, bij nadering van de geallieerden, in grote haast geëvacu­eerd. De vernietingsoven brandde in de dagen ervoor onafge­broken. De pijp trok krom door de hitte.

Van het kamp naar boven, de Louise op, lag de steengroeve. Op de foto's is te zien hoe de gevangenen in lange rijen achter elkaar de zware keien torsen met blote handen. Anderhalve kilometer buiten het kamp was de gaskamer, onder­ge­bracht in een morsige schuur. Een foto toont een rij ontklede mensen voor de ingang. Ook ongeloof en moed zijn vastgelegd. Ik proef ze op het gezicht van een gevan­gene. Hij staat buiten in de te dunne gestreepte kle­ding. Barre vrieskou geeft schaduwvlekken op zijn gezicht. Een paar haarlokken worden door de wind omhoog gelicht. De blik is verdwaasd, maar nog ongebro­ken. Overleefde hij deze hel? Het wordt drukker in het museum. Een kleine jongen staat naast me. We kijken tegelijk naar gruwelijke beelden van experi­menten. Het gezicht van de kamparts is vlak en uit­druk­kings­loos. Het jongetje kijkt nadenkend, ik houd mijn adem in. Hij loopt naar zijn ouders voor uitleg, wordt dan afgeleid door een foto met een grote tank. Hij lijkt de 'rare plaatjes' te zijn verge­ten. Ik kijk lang naar de kampkle­ding uit Dachau en hoor de woorden van de dichter Ed Hoornik 'Dachau schoof een raster voor mijn ziel'. Hij leefde verder, slechts voor de helft. En ach, daar is Anne Frank bij de expositie over kamp Bergen Belsen. Ze kijkt me stralend aan op de overbe­kende foto in de school­bank. 'Anne, jij hier?', vraag ik. 'Ja, zegt ze' ik verbleef in dit kamp. Zo leef ik ook hier door.' Ik strijk even langs haar wang.

Kleine persoonlijke dingen in een vitrine: een stompje scheerzeep, een briefje met krabbels, een bijbeltje, een rozen­krans met grijze kralen, tekeningen van een Hollandse gevange­ne. Lang valt er te kijken naar tekeningen, die momen­ten uit het kampleven laten zien. De gezichten zijn expressief, de bewegingen vol vaart. Ze zijn door een Franse kolonel tijdens zijn gevan­genschap gemaakt en werden later tot posters vergroot. Een bewaker, zijn arm ver uitgestrekt, presen­teert een gevangene voor een geweerschot. Op een andere poster zakt een gevangene onder een vracht stenen in elkaar. De bewaker heft een grote steen...  

Het is goed om de buitenlucht te voelen en in te ademen. Van hieruit is de indeling van het kamp goed te zien. Het is aangelegd in terrassen boven elkaar. Op elk terras stond aan weers­zij­den een grote barak, tussen de barakken lag de appèlplaats. De barakken zijn nu verdwenen. Op die plekken staat een grote witte steen, waarop de naam van een concentratiekamp. De terrassen zijn onder­ling op drie plaatsen verbonden door korte granieten trappen. Aan één kant loopt een steile weg naar beneden. Daar bevindt zich het crema­torium en de cellenbun­ker. Beide zijn nog in de oorspronkelijke staat. Rondom het kamp is een dubbele rij prikkeldraad­om­hei­ningen. Tussen de omheiningen is een pad voor de wachtpos­ten en een paar wacht­to­rens.

Langzaam dalen we af naar de cellenba­rak en het cremato­rium. Steeds weer een granieten trap, ruw en ongelijk. Hier gingen voeten, vermoeid, gewond,  misschien zonder schoei­sel. Acht treden slechts, loodzware monumen­ten. 


De cellenbarak is een gevangenis in de gevangenis. De gang is smal en donker. Aan weerszijden de cellen. Zware ijzeren deuren met op ooghoogte een raster om de gevangene te bespieden. Een paar celdeuren zijn geopend. De ruimte is weerzinwekkend. Een getralied venster, nauwelijks daglicht. Bij de ingang ligt de martelka­mer. Hier werd de gevangene gedwongen zijn zweepsla­gen hardop mee te tellen. Het voorportaal van de hel. De hel zelf is het crematorium. Onze voeten gaan zwaar over de gebarsten stenen vloer waarover ooit andere voeten liepen. Het is gaan langs de 'operatieka­mer', de ziekenzaal met smalle houten bedden, de werkka­mer van de kamparts met zonnig behang in bladmotief, de executieruimte, de urnenka­mer. Planken vol urnen, gereed voor gebruik. Bloemen liggen bij de roestige oven, op de grond achteloos een slof. In de verslagenheid en in de stilte is hier een woordeloos verhaal hoor­baar. We wisten het toch, of wisten we het niet echt...
De zon is doorgebroken, maar haar licht lijkt mat en bleek. Ik heb het koud.

 
Tussen de cellenbarak en het crematorium ligt het hart van het kamp. Het is de plek waar de as van duizen­den en duizenden doden werd geloosd. Een wit kruis rijst naar de hemel, in de aarde een bloembed in de vorm van een kruis.


Met grote stenen staat geschreven OSSA HUMILIATA. Het betekent letterlijk 'verne­derde beenderen'. In de muur zijn gedenkplaten aange­bracht. We geven ons over aan de woorden: 'Observons une minute de silence a leur mémoire.

In de verte leidt een gids een groep bezoekers. Flarden zinnen zijn te horen. De hemel welft zich in bleekblauw over wat ooit de hel was. De hel gevat in de schoonheid van de Vogezen. Een vogel wiekt over.
God was afwezig. Of was Hij toch aanwezig in het delen van een homp brood, in het afstaan van een warm kledingstuk... 
Steeds meer brokkelde de gedachte af dat we hiervan hadden geleerd. Het laatste stukje verdween bij de beelden van Kosovo. Treinen volgestouwd met mensen, afgevoerd! We wisten het niet te keren.
 

Bij de ingang van het kamp staat een 45 meter hoog witmarmeren monument in de vorm van een vlam. Het is op 25 juni 1967 onthuld door President De Gaulle.


Velden met kleine witte kruisen liggen er omheen. In één blik vang ik prikkel­draad en monu­ment. Hiertussen ligt een verhaal, een verhaal over weergaloos lijden. Lijden dat niet verjaart, nooit verjaart. Hen eren, hande­len in hun geest. Intimidatie, agressie, geweld, discriminatie bestrijden. Onophoude­lijk! In stil herdenken, de slachtoffers onder de burgerbevolking, de slachtof­fers van het verzet, de slachtoffers van de slagvelden, de slachtoffers van de concentratiekampen, de slachtoffers van kamp Natzweiler...                                                                                                                        
      
                      
                                       

maandag 25 april 2016


Handen die zegenden en heelden 

Op 14 januari is het 125 jaar geleden dat hij werd geboren. De goede God schonk hem een veelvoud aan talenten. Handen die zegenden, handen die heelden, handen die de prachtigste klanken lieten horen. Maar misschien was zijn regel 'Eerbied voor het leven' en daaraan gestalte geven wel het aller­grootste 'talent'. Dr. Albert Schweitzer, 'de man van Lambarene'.
 
Kaysersberg, een wijnstadje in de Elzas, liggend in de uitlopers van de Voge­zen. Hier wordt in 1875 Albert geboren als tweede van de zes kinderen Schweit­zer. 
 
 
Datzelfde jaar nog verhuist het gezin naar het nabij gelegen dorp Günsbach, waar de vader als predikant is beroepen. Albert groeit gelukkig en harmonieus op.
Hij heeft een helder verstand en is zeer muzikaal. Wanneer hij acht jaar is vindt er een gebeurte­nis plaats die niet meer valt uit te wissen in zijn verdere leven. Met een vriendje zal hij op een zondag­morgen met een katapult op vogels gaan schieten. Hij vindt het een akelig plan maar durft er niet voor uit te komen. Net wanneer hij wil schieten beginnen de kerk­klokken te luiden. Het is voor hem een stem uit de hemel. Hij gooit de kata­pult van zich af en holt weg. Vanaf dat moment staan de woorden 'Gij zult niet doden' in zijn hart gegrift.

Na het lager en middelbaar onderwijs gaat hij in 1893 theologie studeren aan de universi­teit van Straatsburg. Daarnaast doet hij de studie filosofie en muziek. In 1900 wordt hij predikant van de St. Nicolai-kerk aldaar. Wanneer hij in 1904 in een zendings­blad een oproep leest voor hulp in Afrika geeft hij hieraan gehoor en besluit tropenarts te worden. Hij blijft tijdens deze studie preken en concerten geven. Grote steun voor hem is Hélène Breslau, een studente kunstgeschiede­nis. In 1912 trouwt het paar en op Goede Vrijdag 1913 vertrek­ken zij naar Afrika om in Lambarene (Gabon) een praktijk te begin­nen. Spreekuur wordt gehouden in de open­lucht, maar al snel wordt een kippenhok omgebouwd tot praktijkruimte. Huidziek­ten, malaria, slaapziekte, lepra worden met succes behandeld. Een klein ziekenhuis is de volgende stap. Regelma­tig gaan Hélène en hij en hun in 1919 geboren dochter Rhena voor verlof naar Europa. Hij laat voor deze onderbrekingen in 1928 een huis bouwen in Günsbach. Het benodig­de geld ver­dient hij met het houden van lezingen over Goethe. Het zieken­huis in het oerwoud raakt steeds meer bekend. Fondsen ter financiële ondersteu­ning worden opge­richt. Ook de op­brengst van Schweitzer's orgel­concerten, weten­schappelijke lezingen en publicaties zijn bestemd voor Lambarene. In 1952 wordt aan Dr. Albert Schweitzer de Nobel­prijs voor de vrede toege­kend. Een jaar later op een koude winterdag neemt hij deze in Oslo vergezeld van Hélène in ontvangst. In zijn dankre­de spreekt hij, hoe actueel, over 'Het probleem van de vrede in de huidige wereld'. 'Eerbied voor het leven', hij heeft het gestalte gegeven.

Op 4 september 1965 komt er een eind aan het leven van 'de man van Lambare­ne'. Hij wordt naast zijn in 1957 overleden vrouw begra­ven. Zijn hoed en een linnen zakje met rijst, dat hij altijd bij zich droeg voor de kippen gaan met hem mee. Aan het graf klinkt zijn lieve­lings­lied 'Ach blijf met uw genade, Heer Jezus ons nabij'. 

Zijn er in Kaysersberg nog sporen die leiden naar de eerste levens­maanden van Albert Schweitzer? Of is zijn geest meer te voelen in Güns­bach, de plek waar hij opgroeide en waar hij later verbleef tijdens zijn tropen­ver­lof? Reden om op onderzoek te gaan.
 
 

Al direct valt op dat Kaysersberg de sfeer van de middeleeuwen goed weet te mengen met de sfeer die nodig is om toeristen te trekken. Schilderachtige straatjes, mooie vakwerk-huizen, oude waterputten. Maar ook fantasierijke uithang­bor­den, gezellige terrassen en bloembakken in overdaad. Daarbij is er een gul aanbod in cornets, glaces en pizza's. Vanaf ansichtkaar­ten, mokken, biergla­zen, asbak­ken en andere prullaria kijkt Albert Schweit­zer toe. We volgen de pijlen, die de looprichting aangeven naar het geboor­te­huis aan de Rue du Général-de-Gaulle.


 



















 
Het brede huis, nu museum, is helaas gesloten. Het ziet er door het torentje voornaam uit. Bloembakken onder de kleine vensters, vakwerk in zachte tinten. Een toog geeft de eenvoudige deur allure. Iets verder staat in een klein park een bescheiden monument waarop de woorden 'Albert Schweitzer - Prix nobel de la paix - Kaysersberg 1875 - Lambarene 1965.' Wat te verwachten was klopt: nauwelijks sporen, wel commercie die gretig inspeelt geboorteplaats te zijn van deze beroemde man. 

De afstand naar Günsbach is kort, er is weinig verkeer. Fraaie donkere luchten tekenen zich af en bij aankomst in het dorp vallen de eerste dikke drup­pels. Noodgedwongen laten we de Albert-Schweitzer-Weg, een route langs geliefde plekjes van Schweitzer voor gezien en spoeden ons naar zijn woon­huis aan de Rue de Munster.

 

Het huis lijkt ingepakt door een groen kleed van wingerd. De ramen zijn voorzien van witte luiken. Rood dak. Een paar treetjes leiden naar de voor­deur, die toegang geeft tot een rustiek trappen­huis. Foto's, letterlijk tot de nok toe, van orgels waar Schweitzer ooit op speelde en waar hij zich mee verbon­den voelde. Rechts van de ingang bevindt zich de kleine slaap-werkka­mer. Het voelt haast ongepast om deze intieme ruimte binnen te gaan. Een keuken­tafel als bureau. Pijnlijk netjes alles ge­schikt: bril, pennen, rekje voor postpa­pier, vergroot­glas, klokje. Op de harde keukenstoel heeft hij bij het licht van de eenvoudige groene bureaulamp tot diep in de nacht zitten werken. Een wastafel met kranen uit lang vervlogen tijd, daar­naast een fotowand. In het midden een getekend portret van dochter Rhe­na. De planken vloer kraakt hier en daar bij het verstappen. Een bronzen neger­kop kijkt toe. Het is een kopie. Het origineel is onderdeel van een standbeeld in de nabije stad Col­mar. Schweit­zer raakte al op jonge leeftijd geroerd door de droevige en pein­zen­de uitdruk­king. Al het leed van donker Afrika leek hierop te lezen. Ontstond hier mogelijk een eerste aanzet de mens in donker Afrika te dienen? Aan de muur hangt achteloos de zwarte loden jas, gedragen op zijn reis naar Oslo. Voorzichtig knijp ik in een mouw. De stof voelt stug en sterk aan, vrieskou lijkt er nog aan te hangen. Naast deze kamer ligt de huiska­mer. Twee ramen, in ruitvlak­ken verdeeld geven uitzicht op de open tuin. Veel groen, weinig kleur, struiken wiegen zacht heen en weer.  

 
Op de achtergrond de ronde bergtoppen van de Vogezen. Op deze plek stond hij, zag dezelfde beelden, maar was in zijn geest in het oerwoud-ziekenhuis, plannen makend, peinzend, misschien biddend. Bijzon­der is de piano met pedalen en orgel­bank, speciaal voor hem omgebouwd. Muziek van Bach ligt openge­sla­gen. Daarbo­ven een schilde­rij van de orgel­spelende Schweitzer. Bij lang kijken is het alsof Schweit­zer zich van het schilderij verplaatst naar de orgel­bank. Zachte muziek uit DAS WOHLTEMPERIERTE KLAVIER lijkt de kamer de vullen. Gelukkige plaatjes temid­den van Hélène en Rhena. Een vitrine met per­soon­lijke dingen: het eerste rapport, zijn bijbel­tje, de stetho­scoop. Op een doopjurkje ligt een zwart houten kruis. Op verzoek van jonge moeders doopte Albert Schweitzer hun pasgeboren kind bij het verlaten van de kliniek. Over hoeveel donkere kindjes, gekleed in ditzelfde jurkje, zijn de overbe­kende woorden uitge­sproken? De laatste foto toont Schweit­zer 2 maan­den voor zijn dood. Hij is dan 90 jaar. Een nog krachti­ge en goed verzorgde man naast de zes artsen van het zieken­huis.

Alles in dit huis ademt zijn geest. Hij lijkt zo binnen te zullen stappen, terug van een ommetje. Maar de geest komt wel heel dichtbij in de gipsaf­druk van zijn handen. Mooi en sterk met korte nagels. Wanneer ik zittend aan de secretaire van zijn vader de woorden kies voor het gasten­boek lijkt Schweitzer over mijn schouder mee te lezen. 

 
We wandelen langs de dorpskerk. Het regent nog steeds. Slank rijst de toren op, het dak van de kerk glimt in natheid. Een man laat gehaast zijn hond uit. Hier zat de jonge Albert lang geleden onder het gehoor van zijn vader. Hier speelde hij op het orgel. Hier kwam hij steeds weer terug. Günsbach, het dorp van zijn jeugd. Door de beelden heen zie ik steeds de in gips gevangen handen. Handen die zegen­den en heelden en prachtige klanken lieten horen. Handen van God...