Overbrugd

Overbrugd
Posts tonen met het label Reisverhalen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Reisverhalen. Alle posts tonen

zondag 1 oktober 2017


Krakau 1

Krakau, het Florence van Polen

De verrassende manoeuvre van het Russische Rode leger onder generaal Konyev aan het eind van de Tweede Wereldoorlog voorkwam vernietiging van de stad door de Duitsers. Nu toont ze haar grote schoonheid aan miljoenen toeristen en mag zich ‘het Florence van Polen’ noemen. Krakau is de naam.

Over het ontstaan van Krakau is een aardige legende. In een hol binnenin de Wawelheuvel huisde een monster; mens en dier verslond hij. Prins Kwak bedacht een list en vulde een dood schaap met zwavel en legde dit voor het hol. De draak at hiervan, kreeg dorst, dronk uit de rivier de Wisla en spatte daarna in duizend stukjes uit elkaar. Krak bouwde een burcht op de heuveltop en gaf de huizen onderaan de heuvel zijn eigen naam.

De geschiedenis van Krakau is indrukwekkend. De stad werd voor het eerst genoemd in 965. Honderd jaar later werd Krakau onder het bewind van Kazimierz de Vernieuwer hoofdstad van het Poolse koninkrijk. Nadat de Tartaren in 1241 de houten stad in brand hadden gestoken begon men in 1257 rond een ruim opgezet marktplein een stad van baksteen aan te leggen. In datzelfde jaar werden stadsrechten verleend, een stenen ommuring volgde. Krakau kwam tot bloei onder Kazimierz de Grote. Hij schonk de stad een universiteit, de tweede in Midden-Europa. Toen de stad zich in 1430 aansloot bij de Hanze begon grote bloei. Koning Zygmunt de Oude liet in de 16e eeuw de Wawelburcht verbouwen tot residentie, de Renaissance werd een begrip in Polen. Onder Zygmunt August bloeiden kunst en wetenschap, maar na zijn dood werd de Pools-Litouwse Unie een feit en in 1609 werd Warschau voorgoed de hoofdstad. Voor Krakau begon het verval, plunderingen door de Zweden, een heftige pestaanval met veel slachtoffers. De stad werd een kwijnende provincieplaats. Bij de verdeling van Polen werd Krakau in 1795 bij Oostenrijk ingelijfd, kreeg vervolgens in 1815 de status van ’vrije, onafhankelijke en neutrale’ minirepubliek. Dat bleef ze tot ze na 35 jaar opnieuw onder Oostenrijkse voogdij kwam. Dat duurde tot 1918, maar toen was alle leed geleden. Krakau mag zich na Warschau, de grootste stad van Polen noemen en ook nog eens de mooiste in stedelijk schoon.

Bo is onze gids. Ze is goedlachs en kundig, bovendien spreekt ze uitstekend Nederlands. Ze vertelt dat Krakau niet alleen cultuur is, maar vooral jong en dynamisch. Samen met de lelijke zusterstad Nowa Huta telt ze ruim 800.000 inwoners. Er zijn zeven ziekenhuizen, één universiteitsziekenhuis en zestien universiteiten goed voor 200.000 studenten. Het niveau is hoog, niet zelden worden studenten uitgenodigd door Amerika om daar verder te studeren.
Het historische deel van Krakau heeft de vorm van een peer. De Rynek Glówny, het middeleeuwse marktplein 2 ha lang en 2 ha breed, is het grootste van Europa en is het ‘klokhuis’. Om de stad ligt als een schil met vier kilometer lengte het stadspark de Planty. Er zijn veel kerken, ongeveer 95% van de inwoners is streng rooms-katholiek.

 
 ‘We staan hier’, zo vertelt Bo, ’bij de in de 14e eeuw gebouwde Florianuspoort, de enige die over is gebleven van de acht poorten. In de tijd van de monarchie kwam de koninklijke stoet bij kroningen en begrafenissen binnen via deze poort. Ze doorkruiste Krakau in bijna rechte lijn langs de Rynek Glówny en kwam zo tenslotte bij het kasteel op de Wawel. Daarom heet dit de Koninklijke Route.’ We wandelen door de Florianskastraat, de belangrijkste winkelstraat, zijn onder de indruk van de prachtige renaissancegevels, vergapen ons aan de luxe van de meest uiteenlopende winkels. De straat bruist van leven. Talrijke pubs, soms verscholen op binnenplaatsen of in kelders, restaurants die er allemaal aantrekkelijk uitzien.
 
Bo stopt en wijst naar de twee asymmetrische torens van de Mariakerk. ‘Vanaf de hoogste toren blaast ieder uur een stadstrompettist een nostalgische melodie. Midden in een noot breekt hij deze af ter herinnering aan zijn ongelukkige voorganger uit 1241. Deze zag hoe een horde Tartaren naderde, hief zijn trompet om te waarschuwen, maar een pijl doorboorde zijn hals.’
 
Een rij witte koetsen staat met in het rood gestoken koetsiers te wachten op de toerist voor een romantische rondrit. De prachtig opgetuigde paarden met vrolijk wuivende pluimen ogen feestelijk. Na koffie op de Rynek Glówny zetten we de wandeling voort. Een lichtend middelpunt is de Lakenhal (1300). Was deze markt eerst onder de blote hemel, daarna werd ze overdekt en weer later kwam er een stenen gebouw. Na de brand in 1555 volgde herbouw in renaissancestijl. De Lakenhal mag zich tot de grootste en aardigste souvenirmarkten van Europa rekenen.
 
 

Een wandeling langs de stalletjes is een waar feest: schapenvachten, barnsteen, kransen van gedroogde bloemen. Het duizelt.  





Iets achter de Lakenhal staat wat eenzaam de 70 meter hoge stadhuistoren, het stadhuis is in 1820 afgebroken. In de noordoosthoek van het plein staat de Mariakerk. ‘Jou ga ik morgen bekijken’, beloof ik geluidloos.






Het Collegium Maius, het oudste universiteitsgebouw, overslaan is onmogelijk. Alleen al de binnenplaats met de schitterende zuilengalerijen is een bezoek waard. Er worden meerdere groepen rondgeleid, uitleg in allerlei talen. En wie het Universiteitsmuseum wil bezoeken is voor de rest van de dag zoet.

 
Mijn kennismaking met Krakau is er één van opperste verbazing. Ik sluit me aan bij de woorden van een 16e eeuwse reiziger: ‘ Hier vindt men alles wat het hart begeert’…

donderdag 28 september 2017


Krakau 2

Vlaamse kunst maar ook Schindlers fabriek

Vanmorgen staat de wijk Kazimierz op het programma, gevolgd door een bezoek aan het Joodse getto van Podgorze. We sluiten af in de Fabryka Schindler, de voormalige emaillefabriek waar Oskar Schindler zoveel joden wist te redden door ze te laten werken in zijn fabriek.

Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog was Kazimierz samen met Warschau het centrum van de Joodse cultuur in Polen. Ongeveer een kwart van de bevolking in Krakau bestond uit Joden. De gids wijst ons het huis aan waar Helena Rubinstein, oprichter van een groot cosmetisch imperium, opgroeide. Het ligt aan een gezellig pleintje waar de horeca deze morgen al vroeg bezig is de terrassen in gereedheid te brengen. Een wandeling door deze wijk, langs de vele synagoges al of niet in gebruik, vertelt over het rijke Joodse leven van weleer. Gids Bo brengt ons naar een typische binnenplaats van het getto, waar de filmopnamen van Schindler’s List waren. Al was dit niet de historische plek, deze was beter omdat rond de historische plek te veel naoorlogse nieuwbouw stond. Schilderachtigheid vermengt zich met angstschreeuwen, hondengeblaf en wreedheden. Aan de muur een wandtapijt met indringende foto’s van toen.
 

In 1941 werden de Joden gedwongen zich te vestigen in een deel van de wijk Podgorze, ommuurd met streng beveiligde uitgangen. Eind 1942 werd het getto verdeeld in een A-zone en een B-zone. Maart 1943 werden de bewoners van de eerstgenoemde zone overgebracht naar een iets verder gelegen werkkamp; de bewoners van de andere zone werden geëxecuteerd of ze gingen naar Auschwitz. Vanaf het Bohaterow Gettaplein werden de Joden gedeporteerd. Lege stoelen over het hele plein staan symbool voor het weinige wat ze mee mochten nemen. Een aangrijpend beeld.
 
 
Op nr. 18 staat de apotheek ‘Onder de Adelaar’. De niet-Joodse eigenaar dokter Pankiewicz speelde een heldenrol. Hij hielp met medicijnen, verfde haren, kleurde bleke wangen bij, zorgde voor valse papieren. Nog zijn er op twee planken de originele medicijnpotten te zien. We sluiten af met een  bezoek aan de Fabryka Schendlera. Zo is de werkkamer van Schindler intact en vertelt een berg gekleurde emaille bekers en schalen over de werkzaamheden toen.
 

De lunch op de Rynek Glówny brengt ons weer in het huidige. De volle terrassen met genietende mensen staan haaks op de ervaringen van de morgen. Ik leg het weg als een pakket op een plank om het op een later tijdstip in alle rust te openen. Nu is de 13e eeuwse – 14e eeuwse gotische  Mariakerk aan de beurt. Trekpleister is het Maria-altaar, het grootste altaar in Europa, vervaardigt door Veit Stoss. Veel biddende bezoekers, de sfeer is sereen.

We wandelen door de Ulica Grodzka naar de Wawelheuvel. Een buitenkansje, want aan deze straat liggen meerdere interessante kerken en kloosters. Al bij het betreden van de gotische franciscaner kloosterkerk vallen de glas-in-loodramen op, bijzonder zijn de sierlijke bloemmotieven. Al dwalend komen we in een ruimte waar foto’s hangen van de Wereldjongerendag. Paus Franciscus krijgt veel aandacht van vier jonge franciscanessen. Aan de overkant van de straat staat de haast even oude Dominicanenkerk. Een priester neemt een gelovige de biecht af, twee zusters bidden. Eerbied past. Een stille rondgang door de pandgangen laat prachtige kunst zien.

Voordat we de Wawelheuvel beklimmen staan we stil bij het monument voor de slachtoffers van het bloedbad van Katyn. In dat Russische dorp vermoordde de Sovjet-geheime dienst in april/mei 1940 ruim 22.000 Poolse officieren en intellectuelen. Een houten kruis tegen een zijgevel, een paar schamele boeketjes, iets verder vuilniszakken. Treurigheid in veelvoud.

Wie Krakau aandoet moet zeker de Wawelkathedraal en de Wawelburcht bezoeken. Jaarlijks beklimmen 2 miljoen bezoekers het hobbelige pad dat omhoog voert. Ooit was de burcht de zetel van de Poolse koningen. Een romaans kasteel in de 11e eeuw verbouwde men in de 14e eeuw tot een stoere vesting. De brand in 1499 vaagde alles weg, waarna het kasteel werd herbouwd tot een residentie in renaissancestijl. De daarop volgende jaren waren lang niet alle bewoners van koninklijke bloede. In de Tweede Wereldoorlog huisden de Nazi’s er. De meeste kostbaarheden waren vooraf opgeborgen in Canada.
 

Via de fraaie binnenplaats betreden we de residentie. Er zijn 60 kamers te gaan, het toezicht is streng en er mag niet gefotografeerd worden. Bijzonder zijn de 136 Vlaamse wandtapijten met onder meer bijbelse voorstellingen. Ook de troonzaal met de 30 gebeeldhouwde kopjes in het plafond mag er zijn. Dan is er de studeerkamer van de koning met werk van Vlaamse schilders, de Justitiezaal met een portret van Zygmunt Wasa geschilderd door Rubens. In de senatorenzaal, soms ook balzaal, zetelde het parlement in de tijd toen Krakau hoofdstad was. We laten het bestuurlijke achter ons en gaan de ‘heiligheid’ binnen. Was het in het Wawelburcht druk, in de Wawelkathedraal is het nog drukker en nog strenger.
 
 
Na drie bouwfasen in het verre verleden dateert de huidige gotische bouw uit de 14e eeuw. Hier werden de koningen gekroond, hier werden ze ook begraven. Naast de massieve deur hangen beenderen van prehistorische dieren ter bescherming van de kerk. We wandelen langs de kapellen van koningen, koninginnen en bisschoppen, rijk versierde tombes, soms in zilver. Fraaie wandtapijten en schilderingen, kaarsen, eerbied, zacht gefluister doorbreekt de stilte. We ronden af met een bezoek aan de schatkamer en de koninklijke crypte. Is de Sigismundkapel binnen schitterend, aan de buitenkant is van zeldzame schoonheid.

Na zoveel indrukken is het goed neer te strijken aan de oever van de Wisla en de gedachten te ordenen. De rivier heeft alles van nabij meegemaakt, ze heeft haar kalmte weten te bewaren. En stroomt verder in tijdloosheid…
 

maandag 18 september 2017


Krakau 3
 
De zoutmijnen en houten kerken van Polen. 

In de vroege ochtend vertrekken we richting Wieliczka. De beroemde zoutmijn daar staat als eerste genoteerd. Vervolgens reizen we door naar Zakopane, een typisch Poolse stad, gelegen op 900 meter hoogte aan de voet van de Hoge Tatra. Waren we gisteren tijdig terug na een korte excursie in Wadowice, het dorp waar Paus Johannes Paulus II is geboren, vandaag zullen we aan het begin van de avond terug zijn. Wadowice teert nog op haar beroemde stadsgenoot, de kerk uit zijn jeugd is bijkans een pelgrimsoord geworden. En de commercie snoept handig mee in het aanbod van allerlei souvenirs waaraan de naam Pope listig is verbonden. Zoals de heerlijke tompouces, die alle restaurants in diverse groottes en prijzen aanbieden.

Het landschap glijdt voorbij, de reisleider vertelt onderhoudend. ‘Polen heeft 38 miljoen inwoners en is twaalf keer Nederland. Op zaterdag wordt er getrouwd. Eerst stadhuis, daarna kerk. Aan het eind van de middag begint het grote feest, waar ieder een fles wodka drinkt gedurende de bruiloft. Bruid en bruidegom drinken champagne, gooien het glas over de schouder en mogen een wens doen. Daarna komt er een rond brood, het bruidspaar neemt er een hap uit, ze strooien er zout op en eten het op. Dat betekent: geluk! Ieder doet dat na. Die nacht wordt er gefeest tot een uur of vier, de volgende morgen is er rond elf uur uitgebreid koffie, gevolgd door een maaltijd. In de middag is het feest voorbij.’

Zoals bij alle highlichts is het ook bij de zoutmijn een drukte van belang. Een gids staat klaar en leidt ons door de strenge controle en begint zijn verhaal. ‘In deze mijn wordt vanaf de 13e eeuw zout gewonnen. Voor de Poolse koningen was dit één van de belangrijkste inkomsten. Het meeste geld werd gebruikt voor oorlog voeren. De mijn bevat negen niveaus en is tot 327 meter diep. Alleen de hoogste drie niveaus zijn toegankelijk voor toeristen; vanaf het achtste niveau staat de mijn onder water door de overstromingen in 1993. De totale lengte van de gangen bedraagt ruim 250 kilometer. Bijzonder is dat door het microklimaat op 200 meter diepte een sanatorium is. Dit klimaat is ook de beste remedie tegen een kater,’ met deze luchtige opmerking gaat hij ons voor. We dalen de 390 treden van de vele trapjes af en beginnen de tocht op 135 meter diepte in de schemer en de stilte. Gangen, steeds weer afgesloten door dikke deuren. Staan er twee open tegen elkaar, dan is er een forse luchtstroom. Wanden met houten stutten, spannende zoutlagen, die variëren in kleur en dikte. In dit gangenstelsel kan een bezoeker zonder gids gemakkelijk de weg kwijt raken. De mijn is nog in gebruik, hoewel niet intensief. Veel gangen zijn ooit met de hand gegraven, later werden explosieven gebruikt. Verbazing en verrukking wisselen elkaar af. Zo komen we door de zaal met legenden, passeren we de Grot van de Dwergen, zien we hoe paarden werden gebruikt voor het exploiteren van de mijn. Alles is van zout nagemaakt. Romantiek is er ook; bij een meer houden we halt en klinkt vanuit het donker muziek van Chopin. De mooiste van alle kapellen is de Kapel van de Zalige Kingma. Volgens een legende was zij een Hongaarse prinses die ging trouwen met een Krakause hertog. Ze wilde hem verrassen met een huwelijksgeschenk waar alle onderdanen wat aan hadden en gooide haar wonderring in een Hongaarse zoutmijn. Op weg naar Krakau beval ze haar dienaren een gat in de grond te graven. Op de bodem troffen ze de ring aan in een enorm brok zout.

 
Met of zonder legende: de kapel is prachtig, ligt op een diepte van 101 meter, is 54 meter lang en 12 meter hoog. Er is 30 jaar aan gewerkt en de akoestiek is uitzonderlijk. Hier worden regelmatig concerten gegeven en wie er wil huwen hoeft dit alleen maar aan te vragen. De rekening mag er wezen! We wandelen langs de kerststal met het Jezuskindje in roze zout, we zien de Vlucht naar Egypte en het Laatste Avondmaal. Paus Johannes Paulus II ontbreekt niet. We sluiten af in de grote zaal met tijdelijke exposities, hier is de horeca heer en meester. In een gammele volgepakte lift komen we weer boven, het daglicht is fel. 

Zakopane ligt 100 kilometer ten zuiden van Krakau. Via een toeristische route zien we schitterende landschappen met typisch Poolse boerderijtjes. Het stadje is zowel in de zomer als in de winter zeer in trek voor de vakantieganger.
 
 
Oogstrelend zijn de vele houten huizen, maar de houten Onze-Lieve-Vrouwe van Czestechova kerk uit 1847 spant de kroon. Het er naast gelegen kerkhof gaat door voor het ‘vrolijkste’ kerkhof van Polen.


De eerste kennismaking met het stadje valt niet mee. Veel vakantiegangers, voorname hotels, volle terrassen, muziek, winkelwaar te kust en te keur. Een braderie-achtige sfeer. We vluchten het houten kerkje in, de gewijdheid is tastbaar. Zowel exterieur als interieur: alles hout. Intiem, warm, veilig, zomaar woorden die boven komen in de stilte. Veel iconen, de eenvoudige preekstoel en de wand vormen een eenheid in hout.

 
Via een rustieke stenen poort komen we op het er naast gelegen kerkhof. Strakke graven? Welnee, de graftuintjes vertellen alles over de dierbaren en zijn bont in aandenken. Religie is er in de vorm van bijzondere kruisen en ‘Christus op Koude Steen’ is hier een geliefd beeld.

 
Met deze beelden op het netvlies keren we huiswaarts. In een weiland poseert een bruidspaar tussen de hooioppers; avondrood kleurt de lucht…

donderdag 13 oktober 2016


Beieren 1.

Is het Beierse Woud echt zo dicht en klopt het dat het een paradijs is voor zeldzame dieren? Wedijveren grotere steden en verstilde dorpen met elkaar waar het schoonheid betreft? En hoe zit het met de veelbezongen Donau? In een driedelige serie ga ik op zoek.  

Daar waar de Naab en de Regen in de Donau uitmonden ontstond 2000 jaar geleden de Keltische nederzetting Radasbona. Vijf eeuwen later stichtten de Romeinen er een legerkamp en een eeuw later werd er door de Bajuwaren aan de rivier de Regen een machtige burcht gebouwd. Bonifatius verscheen en stichtte er in 739 een bisdom. Regensburg kwam tot bloei, mocht zich in 1245 Freie Reichsstadt noemen. Neerwaartse periodes kende de stad ook, maar nu, als hoofdstad van Oost-Beieren, zit ze stevig in het zadel. En bijzonder, ze is ongeschonden door de Tweede Wereldoorlog gekomen.
 
 
Gewapend met een stadsplan van Regensburg verlaten we de parkeerplaats Dachau. De naam voelt ongemakkelijk, maar het moois in de stad verdrijft snel die gevoelens. We drinken koffie op de Haidplatz in de schaduw van het oogstrelende oude raadhuis waar de eeuwenoude geschiedenis haast van afspat. Eerst willen we de Donau groeten. Nauwe straatjes, grappige winkeltjes, goed bezette terrassen, een reusachtige afbeelding van David en Goliath siert de witte gevel van het Goliath-Huis. We staan voor de Steinerne Brücke. Met een lengte van 300 meter lijkt ze hier de twee armen van de Donau te omvatten. Er zit vaart in het water, nieuwsgierigen vergapen zich aan onderhoudswerkzaamheden. Na een korte wandeling over de promenade nemen we afscheid van de rivier. Het is even zoeken naar de Porta Praetoria, een poort uit 179, die deel uitmaakte van het Romeinse legerkamp. Voorzichtig strijk ik langs de stenen, die helemaal glad zijn geworden doordat veel toeristen de poort even willen voelen.

Regensburg bekijken zonder een bezoek aan de Dom St. Peter is uitgesloten. De kathedraal wordt als belangrijkste van Zuid-Duitsland beschouwd. De huidige gotische kerk is gebouwd op de plek van haar Romaanse voorganger. Begon de bouw in 1250, omstreeks de 16e eeuw was zowel het exterieur al het interieur gereed. Tijdens de bouw woonden de arbeiders in eenvoudige kampen rond de kerk; ze vormden de ‘Bauhütte’ en trokken na het karwei verder naar de volgende bouwplek.
 

Via het hoofdportaal met baldakijn betreden we de kerk. Heiligen en engelen zien liefdevol op ons neer. Vanuit het zonnige buiten naar het donkere binnen, het is even wennen maar dan wordt het genieten. Bezoekers wandelen rond, anderen kijken in vervoering omhoog naar het 32 meter hoge gewelf dat als een soort baldakijn in kruisribbenvlakken is onderverdeeld. Een baldakijn beschermt en geeft saamhorigheid. Zachte muziek klinkt. Aan altaren ontbreekt het niet. We wandelen langs het Wolgangsaltaar, Rupertusaltaar, Michaelsaltaar, Margretenaltaar, Albertus-Magnusaltaar. Dan ontdek ik haar, de lachende engel. Ze leunt tegen een pijler, heeft geen vleugels en is blootvoets. Maar ze is onafgebroken in gesprek met Maria die tegen de overliggende zuil heeft plaatsgenomen. Samen vormen ze de Verkondigingsgroep. De kathedraal is genoemd naar Petrus en dat is zichtbaar in de vele afbeeldingen van deze discipel. Het moeten er honderd zijn, mogelijk dat ingewijden ze allemaal kunnen vinden. De middeleeuwse glas-in lood-vensters met vooral bijbelse taferelen zijn op zich al een bezoek waard. Jezus en de Samaritaanse vrouw  rusten weerszijden van het doopbekken. Zelfs de put met katrol ontbreekt niet. We sluiten af met een bezoek aan de crypte waar onder meer bisschoppen tijdloos slapen; onwetend van de vele bezoekers. 

Tijd voor een broodje op de Domplatz, vogeltjes voeren en mensen kijken. Zon. In Regensburg zijn kerken te kust en te keur. Daar zijn onder meer de St. Ulrichs-Kirche, de Karmeliterkirche, de St. Kassianskirche, de Neupfarrrkirche, de Dreieinigkeitskirche, de Kloosterkerk St. Emmeram en de St. Blasiuskirche. Er is tijd om nog een kerk te bekijken, we kiezen voor de kerk van St. Emmeram. De geschiedenis van dit benedictijnse klooster is bijzonder. Gebouwd in de 8e eeuw en gewijd aan de Frankische bisschop Emmeram. Na veel gedoe, de bisschop werd in de 7e eeuw vermoord, belandde zijn lichaam in Regensburg. Duizenden pelgrims bezochten de grafkapel. Op die plek ontstond een klooster. Nu rust de bisschop In de Romaanse crypte van de kloosterkerk in eenvoudige graftombe. Is de buitenkant van het voormalige klooster inspirerend, de binnenhof maakt eerbiedig, gewijdheid is voelbaar.
 
 
Een schilderachtige poort geeft toegang tot de abdijtuin. Fruitbomen, ladders, liefhebbers van fruit mogen zelf plukken. Bezoekers turen teleurgesteld naar boven; hier en daar hangt nog een appel.
 
 
De gewelfde voorhal brengt bezoekers, die open staan voor 12e eeuwse schoonheid, in vervoering. De middelpijler is een goede overzichtsplek voor de tronende Christus. Kalkzandsteenreliëfs zijn aangebracht op de wanden, in het oostkoor een afbeelding van St. Emmeram, in het westkoor blikt St. Dionysius ons aan. Wie denkt dat deze serene schoonheid zich voorzet in de kloosterkerk komt bedrogen uit.
 
 
De kerk is licht en in de barok heeft men zich bij het ‘lichtzinnige’ af uitgeleefd.
We wandelen langs verschillende altaren, een huilend engeltje maakt zacht. Diverse soorten marmer, bladgoud, brons en wandschilderingen, maar de mooiste zijn in de gewelven boven ons aangebracht. Een schitterend hek vormt de grens tussen de kerk en andere gewijde ruimten. Waar de kloosterkerk doet verblinden, is de sfeer van de belendende voormalige kloosterkerk uiterst sober en weldadig. Deze kerk is nu parochiekerk.
We verlaten St. Emmeram, wandelen naar de Dachauplatz. Met een hoofd dat bijkans barst van de indrukken van Regensburg…     

vrijdag 7 oktober 2016


Beieren 2 

Iets ten oosten van Regensburg ligt het plaatsje Donaustauf en daar op de hoger gelegen beboste heuvels verheft zich het Walhalla, een imposante Griekse tempel. Het is geen paradijs voor gesneuvelden, het is de marmeren wereld waarin de bustes van belangrijke mensen staan opgesteld.

Koning Ludwig I van Beieren (1786 – 1868) bedacht dit schoons in 1807. Een Duits monument oprichten was lastig aangezien de vader van Ludwig, koning Maximilian I, partij had gekozen voor Napoleon. In het geheim liet Ludwig borstbeelden vervaardigen en toen hij koning werd en de landspolitiek rustig was waren er al 60 bustes gereed. Hij gaf opdracht tot het bouwen van een eretempel die veel weg had van het Parthenon op de Acropolis in Griekenland. Inmiddels staan er 130 bustes waaronder meerdere Nederlanders.

Al van ver glorieert de witte tempel tussen het groen. Het is op dit vroege uur rustig, een rust die zich voortzet tijdens het beklimmen van de 358 treden tellende trap. Aan de voor- en achterzijde tel ik acht Dorische zuilen, aan de lange zijden staan 17 zuilen. Fraai morgenlicht doorbreekt de strakheid van de zuilenrij. In de diepte ligt de Donau als een bewegingsloos zilveren lint. Is het uitzicht buiten schitterend, het interieur van de tempel is mogelijk nog mooier.
 
 
In een wereld van wit en roze marmer bevinden zich de borstbeelden. Ze staan in drie rijen boven elkaar opgesteld, daarboven zijn plaquettes aangebracht van beroemdheden, waar geen afbeeldingen van zijn, maar die wel bepalend zijn geweest in de geschiedenis.
 
Triomferende engelen, voorzien van lauwerkransen,  versterken de heroïek. En mocht een engel vermoeid raken, dan is er altijd een prachtige zetel om te rusten; de stijve marmerplooien lijken op zacht geplooide stof. Hofarchitect Leo von Klenze bedacht het ontwerp van de tempel, in 1842 vond de opening plaats. Tegen de korte achterwand zit breeduit Ludwig I op een vorstelijke zetel. Vanaf die plek heeft hij mooi overzicht op de bezoekers. En die zijn er in een mengeling van verbazing, enthousiasme en eerbied. Ludwig nam de landsgrenzen niet zo nauw, we zien er onder meer Willem van Oranje, Tromp, De Ruyter en Hugo de Groot. Maar ook Bach, Beethoven, Händel zijn er en wat te denken van Luther, Goethe en Schiller? Op dit moment staan er 130 beelden, Sophie Scholl draagt dat nummer. Ze liet haar leven in 1943 als verzetsstrijder tegen het naziregime. Onder haar borstbeeld staat gebeiteld: ‘Im Gedenken an alle, die gegen Unrecht, Gewalt und Terror des 3 Reichs mutig Widerstand leisteten.’
 
 
Langzaam dalen we de trappen af om goed zicht te hebben op de prachtige voorgevel met drukbewerkte timpaan. Met een lange blik nemen we afscheid van de Donau.
 

 

Niet veel verder ligt Kelheim. Ook daar is iets ‘typisch Duits’ te zien. De Befreiungshalle is een reusachtige, ronde 45 meter hoge ‘tempel’ op de top van de Michelsberg. Het bouwwerk lijkt op het Pantheon in Rome. Ook de Befreiungshalle is bedacht door Ludwig I en architect Leo von Klenze mocht dit gebouw in 1863 voltooien. Kolossale beelden sieren de okergele buitenmuren, binnen wordt de bezoeker klein bij de gigantische afmetingen en de pracht en praal.
 
 
 In een cirkel staan 34 reusachtige overwinningsgodinnen opgesteld, ze houden elkaar met hun stijve handen lieflijk vast, klaar voor een rondedans. Ze stellen de 34 Duitse staten voor. Op de bronzen schilden die ze luchtigjes dragen, staan de namen van de plaatsen waar tijdens de  bevrijdingsoorlog  van 1813-1815 werd gevochten. De namen van de veldheren ontbreken niet. Daarboven in de architraven staan de veroverde vestingen vermeld. Ik krijg het koud van deze monumentale heroïek. Voorzichtig wandel ik achter de godinnen langs, pak voorzichtig een koude gladde hand of raak even een verstilde rug aan. Koud en vooral ongenaakbaar. Mooi is het licht dat hoog door de marmeren koepel naar binnen valt en alles een mystieke glans geeft.

Na een snelle lunch op een gezellig terras sluiten we de dag met een bezoek aan het nabij gelegen klooster Weltenburg. Al in 760 werd op deze plek een benedictijnse abdij gesticht door hertog Tassilo III. Tijdens de religieuze oorlogen in de 16e en 17e eeuw werd het klooster verwoest, in de 18e eeuw werd het herbouwd. Pas in 1842 komt het weer in handen van de benedictijnen.
Vanaf de parkeerplaats is het tien minuten wandelen naar het klooster. In een bocht van de Donau ligt het kloostercomplex, de rode daken en een groene toren schitteren in het zonlicht.
Mijn vrees dat het klooster vooral een toeristisch object is, wordt waarheid wanneer we door de kloosterpoort lopen. Het binnenplein staat vol parasols waaronder luidruchtig koutende bezoekers, obers lopen af en aan met volgeladen dienbladen. Even probeer ik het plein leeg te denken met monniken in meditatie. Het beeld krijgt geen kans. Op de gevel van de Sint Georg en Sint Martin prijkt een monnik.

 
Deze barokke kloosterkerk behoort tot de mooiste kerken van Duitsland. Via een ovale voorhal belanden we in de ovale kerkruimte. Het hoofdaltaar is het pronkstuk in de kerk, maar ook het fresco waarop de eerste benedictijner monniken Amerika bezoeken spreekt tot de verbeelding. De kerk stroomt vol, smalle bankjes, druk fotograferende bezoekers, een gids die probeert boven het geroezemoes uit te komen. Een dikke bezoeker in korte broek wringt zich zwijgend naast me, mijn plek wordt een plekje. Twee vlezige knieën kijken me vanonder de korte broek brutaal aan. We vluchten halverwege de lezing de kerk uit, hollen door de kloosterpoort en ademen op aan de oever van de Donau…

maandag 3 oktober 2016


Beieren 3 

Na een paar dagen wandelen door het schitterende Beierse Woud kriebelt het verlangen naar cultuur. Vanuit Viechtach, onze logeerplek, lokt het zuidelijker gelegen benedictijnerklooster in Niederaltaich. Een bijzonder klooster: de monniken leven naar de Latijnse en de byzantijnse ritus.

In de 8e eeuw werd het klooster door Hertog Oddilo van Beieren gesticht voor de monniken uit Reichenau. Wel en wee werd meer dan 1000 jaar moedig doorstaan, echter in 1803 werd het klooster opgeheven. Een grote kerkbrand in 1813 nam ook delen van het complex mee van het voormalige klooster. Maar zie, de monniken van de benedictijner abdij Metten stichtten in 1918 een nieuw klooster en in 1953 vond een grote renovatie plaats. Het klooster in Niederaltaich ligt aan de voet van het Beierse Woud en aan de oever van de Donau en is een begrip.

Na een voorspoedige rit staan we voor het enorme kloostercomplex. Weldadige rust komt ons tegemoet. Beschroomd gaan we de kloosterkerk, tevens parochiekerk, Sint Mauritius binnen en stuiten meteen op een groot marmeren wijwaterbekken dat prachtig afsteekt tegen de sobere tegelvloer.
 
Het stucwerk is verrassend wit, het kerkinterieur straalt kracht uit. Van de oorspronkelijke gotische hallenkerk zijn alleen de buitenmuren overgebleven. Binnenmuren en interieur ademen 18e eeuwse barok. Veel beeldhouwwerk, fresco’s en ovaalvormige koepels sieren de zijschepen. Opvallend zijn de glazen schrijnen waarin heiligen uit de catacomben in Rome liggen te rusten. Ze zien er donker en perkamentachtig uit met overdadige versieringen, in de oogkassen zijn ‘oplichtende’ stenen aangebracht. Griezelend draaf ik langs de schrijnen maar ach ook het leven van Mauritius, op meerdere stukken verbeeld, maakt met de vele martelingen niet vrolijk. Bovenop het klankbord van de preekstoel ziet hij er beter uit. We wandelen naar het binnenplein, dat is omgeven door gebouwen. Een monnik komt ons tegemoet bij de ingang van het gastenhuis St. Pirmin en zegt dat dit gebouw toegankelijk is voor gasten en niet voor bezoekers. Hij vertelt dat dertig monniken, een paar zijn uitwonend in dit ‘dubbelklooster’, een bijdrage leveren aan het begrip tussen Christenen in Oost en West. ‘Oecumene is allereerst oecumenisch te leven binnen de gemeenschap, elkaar in alle verschillen te aanvaarden.’ Naast de inkomsten uit het gastenhuis zorgen de kloosterwinkel, de zelf gemaakte likeuren en het kloosterrestaurant voor inkomsten. Schuin tegenover het gastenhuis ligt de byzantijnse kerk Sint Nicolaas. In de voorhal kijken we door de ramen van de gesloten kerk naar de iconostasewand met de koningsdeuren. Heiligheid is voelbaar.
 
 
De kloosterwinkel is een feest der herkenning: heiligen, engelen, wijwaterbakjes, kaarsen, zeepjes, boeken, kaarten en likeuren. Twee spekstenen engeltjes mogen mee. Bij het vertrek kijken de twee identieke torens van de Sint Mauritius kijken ons na.

Ten westen van Niederaltaich ligt Straubing, een stadje dat veel heeft te bieden. Ons doel is de Sint Peterskerk met de drie laatgotische kapellen en het bijzondere kerkhof met meer dan 1000 grafmonumenten. Van ver zijn de torens van de 12e  eeuwse Romaanse kerk te zien. Een bemoste poort geeft toegang tot dit verstilde oord. Adembenemend mooi, kijken en vastleggen in nooit te wissen innerlijke beelden. We wandelen naar de Onze-Lieve-Vrouwekapel. Deze ruimte deed vroeger dienst als beenhuis, maar is nu gesloten. Mooi is de engel die tegen de buitenmuur leunt. Langs bijzondere grafstenen wandelen we naar de Agnes-Bernauer-Kapelle, het verhaal van dit arme burgermeisje is treurig. Agnes trouwde 1435 in het geheim met de zoon van hertog Ernst. De hertog vond het geen goede partij voor zijn zoon en liet haar opsluiten en vervolgens verdrinken in de Donau. Uit angst voor zijn zielerust liet de snoodaard als boete een kapel voor Agnes bouwen. Door het traliewerk zien we haar grafmonument waar Agnes in rood marmer is weergegeven. In haar rechterhand een rozenkrans als teken van eeuwig geloof, aan haar voeten zitten twee honden als symbool van trouw. De mooiste kapel is de derde, de Totenkapelle eind 15e eeuws. Vanuit deze ruimte werden de doden naar hun rustplek gedragen. Eind 18e eeuw werden wandschilderingen aangebracht. Het is in bochten wringen om door het traliewerk dit schoons goed te kunnen zien. Zo ontdekken we aan de oostzijde Adam en Eva, door hun toedoen werd de dood in het leven geroepen, aan de westzijde zien we de ‘Opstanding’ en het ‘Laatste Oordeel’. Prachtig zijn de omraamde voorstellingen waar de dood  als een spichtige vleesloze figuur ongenood binnenkomt.

Ook de Sint Peterskerk is afgesloten, een blik door de tralies laat een juweel van Romaanse bouwkunst zien. Even was er een kleine dwaling toen het interieur in de 18e eeuw in barokstijl werd veranderd. Maar een eeuw later was de kerk weer terug bij haar wortels: Romaans. Tweebeukig, een middenpad tussen strakke banken, in de verte een crucifix.
 
 
De begraafplaats toont een wereld van symboliek, van stijlen, van eeuwenoud gestold verdriet. Soms moet een mens zuchten bij zoveel schoonheid. Dan zie ik hem, Hij moet het zijn: Jezus.
 
 
Voorzichtig raak ik zijn kleed aan, net als die vrouw uit de bijbel. De duim van zijn ene hand is verdwenen, er ligt een steen in. Een groet van een Joodse gelovige: ik was er. Aan de rand van het kerkhof staat een knusse woning, een jonge vrouw werkt in de bloementuin. Zij en haar man ‘beheren’ het kerkhof en de gebouwen. ‘Het traliewerk is nodig vanwege vernielingen’, vertelt ze zuchtend.
Bij een glas wijn die avond maak ik de balans op. Oost-Beieren is prachtig wat natuur betreft. Maar ook de cultuur mag er wezen…

donderdag 18 augustus 2016


In deze tijd van stress, drukte en een economie die 24 uur per dag doordraait is de vakantie een mooie gelegenheid om de stilte te zoeken. Niet aan het strand vind ik mijn rust, maar op heel andere plekken kom ik op adem.

Hendrik II en Kunigunde in Dom van Bamberg (1)

Over een kloeke ruiter te paard, een roodgewolkte pauselijke teen, een gang over gloeiende ploegscharen. En over een handloze engel met een gebroken vleugel. Het is allemaal te vinden in de Dom van Bamberg...

Wie Bamberg aandoet is meteen verliefd op deze gezellige universiteitsplaats met zijn indrukwekkende cultuur. Het stadje wordt wel het Duitse Praag genoemd, is ruim 1000 jaar oud en ligt in het keteldal van de Regnitz. Het is gebouwd op zeven heuvels, waaronder de Domberg, de Stephansberg, de Jakobsberg en de Michaëlsberg. Op al deze bergen prijkt een kerk of een klooster. De middel­eeuwse architec­tuur is nog volop aanwezig en de schilder­achtige huizen in vakwerk met felrode daken geven een Pieck-achtige sfeer. Door al dat moois slingert de Regnitz onver­stoorbaar in tijdloosheid.
Het warm kloppend hart van Bamberg is onbetwist de Domplatz met de daaraan gelegen indruk­wekkende Dom. De basiliek is een prachtig voorbeeld van laat-romaanse en vroeg-gotische architectuur. Ze werd in de 13e eeuw gebouwd op het grond­plan van de voormalige Dom, die dateerde uit begin 11e eeuw en door brand werd ver­woest. Al van ver zijn zijn de vier fraai bewerkte torens met de langgerekte, groenko­peren spitsen zichtbaar. Ondanks het vroege uur is er al genoeg vertier op de Domplatz.
 
 
Een groep oudere kinderen gaat onder leiding door de Gna­denpforte. Ze lachen en duwen elkaar en vergeten helemaal het prachtige timpaan boven hun hoofden. De onderwijzer drijft ze letterlijk naar een rustige plek bij de ingang en geeft de laatste instructies. Maar als hij zich omdraait kietelt een ondeugd de roodbruin gewolkte teen van de languit­ge­strekte paus Clemens II. Gegiechel rondom. De Dom heeft een oost- en een westkoor met beide een altaar. Het rijke oost­koor, laat-romaans, symboliseert de wereldlijke macht. Het strengere westkoor, vroeg-gotisch, staat voor de geestelijke macht. Ik laat de ruimte en hoogte van de basiliek op me inwerken, het maakt duizelig. Het vele grijs geeft rust, strakke pilaren in grijs en zachtro­ze banden met kleine sculptu­ren. Een kruisribgewelf met uitbundig versierde sluitste­nen, daar waar de ribben kleiner zijn, zijn ook de sluitstenen bescheide­ner. Vloeren in rood­grij­ze blokken. Het meest bekende kunstwerk in de Dom is de Bamberger Reiter, een ruiterstand­beeld dat de vorstelijke waardigheid symboliseert. Het is gemaakt in de eerste helft van de 13e eeuw, de maker is onbekend. Kloek rechtop zit de ruiter en kijkt ver weg, in één hand losjes de teugels, in de andere hand een zweepje. Het paard heeft de oren gespitst en wacht op bevelen. Samen leunen ze tegen een pijler en overzien alles. Een bezoekster maakt zich wat kleiner zodat ze onder de uitsteken­de punt van de preekstoel door kan lopen.
 
De gebeeld­houwde figuren in grijswit zandsteen langs de trap gaan moeiteloos mee in de zachte ronding. Er zijn op dit moment drie rondleidingen in verschillende talen. De uitleg lijkt te verwaaien in de grote ruimte en geeft roezige geluiden. Met uitgerekte halzen staat een groep toehoorders bij de graftombe van Hendrik II en Kuni­gunde, de stichters van de Dom. De ligbeelden van het keizerspaar zijn moeilijk te zien, vanaf een trapje ernaast heb ik echter goed zicht op het tweetal. Zo rusten ze al eeuwen in fraaie kledij met de blik starend omhoog. De kring gezichten rondom het paar is mogelijke nog boeiender vanwege de wisse­lende uit­drukkingen. Voorstel­lingen aangebracht rondom de tombe vertellen over hun leven, werkelijkheid en legende lopen losjes door elkaar. Zo is te zien hoe de keizer door de H. Benedictus in zijn slaap van nierstenen werd bevrijd, maar ook de dood en het wegen van de ziel van Hendrik II is niet vergeten. Keizerin Kunigunde heeft ook het nodige meege­maakt. Ze werd verdacht van overspel en gedwon­gen over gloeien­de ploegscharen te lopen. Behoed­zaam volbrengt ze deze vurige gang en bewijst daarmee haar onschuld. Lang valt er te kijken naar een drieluik van het kerstgebeuren. Veel goud, blauw en rood, de drie koningen met hun geschenken zijn het meest spannend.
 
Deze afbeel­ding is geschikt voor een kerstkaart, het lukt echter niet om een mooie compositie te krijgen. Ik treuzel, maak aantekeningen, kijk nog eens door de camera. Dan voel ik de oplettende blik van een suppoost. Wantrouwen, wordt hier mis­schien een kunstroof voorbereid? Dag koningen van verre, ik neem jullie mee op mijn netvlies. Dan zie ik haar. Ze staat hoog boven de hoofden van de bezoekers op een smalle rand, schuin tegenover Maria en het Kindje, in hetzelfde kleurloze grijs als de pijler waartegen ze rust, de lachen­de engel. Het haar hangt in kleine krulletjes tot op de schouder, het gewaad valt soepel. Gezien haar figuur is het een zij en ze lacht, ze lacht al vanaf de 13e eeuw. En dat terwijl er niets te lachen valt, haar rechter hand is slechts een stomp en van haar linker vleugel is het onderste stuk verdwenen. Ik vraag haar woordloos hoe het mogelijk is te blijven lachen bij zoveel gehavendheid. Het antwoord ligt diep verborgen in haar mysterieuze lach. Haar geheim en mijn tasten naar dit geheim lijken in elkaar te vloeien. Vanaf een bank kijk ik rond. Ondanks de toename van bezoekers blijft deze vrij lichte kerk een aangename rust uitstralen. De verschillende beroemde kunstwerken maken deze kerk breed aantrekkelijk. Onder de kruisweg zit een kerkganger in gebed en iets verder staat een jong stel voor Elisabeth en Maria in dezelfde eerbied en stilte. De klas kinderen is tot rust gekomen. Ze staan in een kring voor de 14e eeuwse koorstoelen en luisteren vol aandacht naar het verhaal van de onder­wijzer. Bijbelse taferelen ver­woord in hout, er valt genoeg te vertellen. Door de Adamspforte verlaten we de basiliek. Vaarwel Dom, je was een bezoek meer dan waard. En daar is onverwacht een kleine toegift naast de Fürstenpfor­te.
 
 
Onopvallend tegen de poortbogen staat op een richel een aandoenlijke engel. De hartstocht waarmee ze op de hoorn blaast is aanstekelijk. Ze is slechts even neergestreken, de grote vleugels zijn al gespreid voor de vlucht naar weer een andere plek tegen de kerkmuur. Ook daar zal ze muziek maken als eerbetoon aan deze schone kerk voor ieder die het maar wil horen...

 

dinsdag 16 augustus 2016


VEERTIEN NOODHELPERS IN STAFFELSTEIN (2)

De bedevaartskerk Vierzehnheiligen heeft haar bestaan te danken aan veertien noodhelpers. Als dank heeft de kerk de veertien gastvrij onderdak gegeven. Bedevaartgangers leggen hum kommer en kwel royaal voor de versteende voeten van de helpers in nood...

Vanuit Bamberg rijdend naar Coburg passeer je Staffelstein. En iets voorbij Staffelstein kun je kiezen tussen twee religieuze plekken van formaat. De weg naar rechts voert naar Kloster Banz, een voormalig benedictijnerklooster (1701), de weg naar links brengt je bij Kloster Vierzehnheiligen (1743). We kiezen de weg naar links. Dit luisterrijke kloostercomplex heeft haar ontstaan te danken aan een bijzonde­re legende. Op 17 september 1445 zag een schaap­herder een kind op de akker zitten. Toen hij het kind wilde opbeuren ver­dween het eensklaps. Niet veel later verscheen het kind opnieuw. Ditmaal met aan iedere zijde een brandende kaars. En net toen de schaap­herder deze beide 'gezichten' was vergeten, gebeurde er weer iets. Ditmaal stond het kind middenin een kring van 14 andere kinderen. Toen de ­herder vroeg wie het kind was en wat het precies wilde, was het antwoord: 'Wij zijn de 14 noodhel­pers en wij willen hier een kapel hebben. Wanneer u onze dienaar bent, zullen wij uw dienaar zijn.' De abt van een nabij gelegen cisterciënzer klooster was geroerd en stichtte op de plek van de laatste verschij­ning een altaar en later ook nog eens een kapel (1456). Er weer een bedevaarts­oord bijge­komen. Maar tijdens de Boerenoorlog (1525) werd de kerk verwoest. De herbouw in 1743 en de toevoe­ging van een proosdij in 1745 gaven deze reli­gieuze plek hernieuwde glans. Cisterci­nzers vertrok­ken, dominica­nen namen hun intrek en nu zwaaien franciscanen hier de scepter. De zoveelste restaura­tie was in 1990 klaar, maar nu mag de kerk van Vierzehnheiligen zich met recht de mooiste kerk van Frankenland noemen.

 

Boven de bomen priemen twee groenkope­ren spitsen in bleekblauw, de torens van Vierzehnheiligen. Een verlaten parkeerplek. De weg naar boven is steil, het weer is druk­kend. Twee fietsers zijn afgestapt en vorderen langzaam, een wande­laar staat voortdurend stil en poetst zijn bezwete gezicht met een zakdoek droog. 'Hoe warm het was en hoe ver', een hoofdstuk uit de Camera Obscura van Hildebrand lijkt hier toepasselijk. Halverwege passeren we een oude boomgaard met schapen, een religieuze praat met een jong meisje in de scha­duw van een oude boom. Rust. En dan is daar de drukke, fantasierijke gevel van Vierzehnheiligen, opgetrokken uit grote blokken okergeel steen omgeven door een complete kermis van tentjes die om het hardst de devotialia aanprij­zen. Rijen Christussen aan het kruis bungelen hoog tegen het tent­doek, daaronder evenveel wijwa­terbak­jes en rozenkransen voor iedere dag van het jaar. Kaarsen met afbeeldingen, kaarsen zonder afbeeldingen. Sneeuw­huisjes, lepeltjes en mokken. De kerk kijkt onbewogen toe.  

Binnen is het koel en komen de bezoekers op adem. Een francisca­nes in lange donkerblauwe mantel kijkt ons uitnodigend aan. Het is duizelen, uitbun­dige rococo, biezen en krullen, pasteltin­ten en overdadig bladgoud. Hoge stucmar­meren pilaren ondersteunen het gewelf waarop grootse fresco's de mens klein maken. Biechthokjes in wit met blauwe krullen en gouden biezen. Bruder Claus heeft bezoek, het gordijntje boven de deur van zijn hokje is neergelaten.
 
Op het dakje zit een sierlijke engel met in de handen een schild met de woor­den: 'Reinige mich von meinen Sünden', dat is hoopgevend voor de stouterik onder het dak. Drie lege stoeltjes tegen de muur verwachten nog meer biecht­lusti­gen. Op de fraai bewerkte kerkban­ken met dikke rose kussens zitten bezoe­kers in eerbied of in gebed verzonken. Soms liggen ze achter­over en vergapen zich aan het gewelf. Onder de indruk van dit alles zak ik neer op het puntje van een bank. Er is geen plekje onbenut gelaten in dit spektakel van opperste vroomheid. De engelen vliegen me bijkans om de oren. Het meest heilige is echter de met strenge touwen afgezette ovaalvormige ruimte middenin de kerk. Hier staan de 14 noodhelpers opge­steld. Daar is Dioysius, de eerste bisschop van Parijs. Hij werd in 250 na Christus op de Montmartre onthoofd.
Volgens het verhaal heeft hij zijn afgeslagen hoofd zelf naar het graf gedragen. Bij migraine kan hij helpen, maar ook voor een angstig geweten weet hij raad. De heilige Katharina zit er ontspannen bij, terwijl ze toch ook het nodige achter de rug heeft. Ze zou gefolterd worden op een rad met nagels beslagen, een engel echter brak het rad. Maar ach, toen ging het later toch nog mis en werd ze onthoofd met een speer. Ze is de patrones van de boekdruk­kers, geleerden en redenaars, maar is er ook voor hoofpijnlijders. En bij Erasmus zijn door een scheepschroef alle ingewanden uit de buik verdwenen. Hij helpt zeelui, maar mag ook aangeroe­pen worden bij buikpijnen en geboor­tes. Voor hem is er altijd werk. Naast de deur die toegang geeft tot een kleine votief-kapel ligt een krant, waarop kwasten in alle maten en grote en kleine blikken verf. Een schilder trekt behoedzaam lijnen en vult met bedacht­zame streken een klein vlak op. Onder­tussen vertelt hij dat hij deze schilderbeurt niet meer zal kunnen afmaken, hoewel hij zeker nog 25 jaar werken voor de boeg heeft. De blijmoe­digheid straalt van zijn gezicht. In de schemerige votief-kapel hangt een bijzonder crucifix, door­boorde handen en doorboorde voeten. Twee speren nemen de plaats in van het lichaam. Votiefkaarsen langer dan menig volwas­sene. Een klein stukje rasterwerk uit 1989 is veelzeggend. Dankbaar­heid alom. Nog net zie ik achter de deur van een andere kapel een stel overbodi­ge krukken, daarboven bungelen twee benen, glad, glimmend en frivool. 
 


Wanneer we langs de onvermoeide handel in heiligheid de afdaling beginnen passeren we drie grote overbezette terrassen. Onder zachtgele parasols drinken bezoe­kers hun drankje en tonen elkaar hun aankopen. Ze vergelijken de prijzen en zijn al het heilige gans vergeten... 

 




POPMUZIEK IN KLOOSTERKERK VAN EBRACH (3)

'Willen jullie naar het voormalige cisterciënzerkloostercomplex Ebrach?' Onze uit Noord-Brabant afkomstige campingburen kijken met medelijden. 'Wij zijn er gisteren geweest. Niets, helemaal niets! Bouwsteigers, dekkleden, gehamer en geklop.' Een regelrechte uitda­ging... 

De weg van Bamberg naar Würzburg is een feest om te gaan. Ze daalt en stijgt in aangenaam ritme. Lieflijke dorpen duiken onverwacht op, korenvelden met klaprozen afgewisseld met aardappelvelden, majestueuze wolkenpartijen.
De cisterciënzer abdij van Ebrach werd gesticht in 1127 door een zekere Berno. De stijl was een mengvorm van laatromaans en vroeggotisch. Branden, verwoestingen, herbouw. In 1803 werd het klooster, hoewel er nog 61 kloos­terlingen waren, opgeheven en werd staatseigendom. En die maakte het tot een uitbundig oord van barokke kunst. De kloosterkerk staat nu voor het grootste gedeelte in de steigers. Het probleem is ernstig. De muren van de kerk wijken aan de bovenzijde heel langzaam uiteen, daardoor kan het dak gaan zakken. Met ingewikkelde con­structies probeert men dit te verhelpen.

De ingang van de kerk en het daarboven gelegen beroemde roosvenster gaan schuil achter enorme dekkleden. Arbeiders zijn druk doende, de opzichter raadpleegt papieren. Een bordje geeft aan dat we om de kerk heen moeten lopen. Via een kleine deur belanden we pardoes in het koorgedeelte van de kloosterkerk. De mevrouw achter een tafel met informatie veert op bij het zien van bezoekers. Ze zit op de tocht en kijkt kouwelijk. Het tarief is nu gehal­veerd, legt ze uit. Ze vertelt wat er te zien is en vooral wat er niet te zien is. We springen over brede rubberen slangen, gaan behoedzaam over krakende noodvloeren. Achter een groot kleed verschuilt zich het schip van de kerk. Geen orgelklanken, maar gehamer en gebeitel, stemmen die elkaar over­schreeuwen, popmuziek. Maar hier, in het koor van de kerk, is het ondanks dat toch een beetje heilig. Er is een noodliturgisch centrum inge­richt. Op het roze vloerkleed staat het altaar met loper in hetzelfde roze. Daarachter een roodfluwelen zetel. Voor het altaar staan 5 grote bronzen kandelaars, de middelste drie dragen een kaars, op de buitenste twee zijn kleine boeketjes geprikt met zwierige slingers klimop. Die klimop staat voor trouw blijven en hechten en dat is op deze onttakelde plek een mooie opdracht. Het doop­vont, de paaskaars en de lezenaar ontbre­ken niet. Het doet haast knussig aan. Om het helemaal af te maken is een gedeelte van het bouwzeil bedekt met een rood glanzend gordijn met in het midden een crucifix. En net als ik me wil omdraaien bolt het gordijn op. Een behaarde arm komt tussen de plooien door, aan die arm zit een jong ­mens. Hij loopt onbevangen tussen de heiligheid, begint ijverig maten te nemen. De gelovigen mogen bij een viering op noodbanken met dikke stukken grijs schuim­plastic zitten. Zo wordt er in brede zin goed voor hen ge­zorgd.


Opval­lend is het pinkstertafereel boven de zijdeur. Alle aposte­len staan samenge­drongen op een balkon en kijken omhoog naar een brede baan goud, die vervolgens uitwaaiert in drie kleinere banen. Het goud komt van boven, tientallen engelen met gouden vleugels omgeven de baan in opperste verruk­king. Verwarring onder de discipe­len, hoog geheven armen, handen voor het gelaat, ongeloof. De barokke pracht van dit gedeelte van de klooster­kerk komt door het gedragen geel met zachtroze afwerking toch rustig over. Tussen de pilaren zie ik in een flits drie andere bezoekers, dan weer zijn ze verdwenen.









De St. Michaëlskapel is het enig overgebleven romaanse gedeelte van de kerk. Sober en ingetogen, hier ligt ook de graftombe van Berno. Op wandborden hier is de werkwijze van de bouw goed te volgen. Indringend zijn de histori­sche beelden waar de cisterciënzers bijeen zijn voor het nachtgebed om twee uur in de ochtend. Ze zitten in de kloostergang tegenover elkaar, de gezichten grotendeels verbor­gen onder de kappen. Tussen slangen, metsel­tonnen en krakende plankieren zoeken we de weg naar buiten en wandelen naar de hoofddeur van het voorma­lige kloos­ter. Dit is nu een oord waar de ambtenarij hoogtij viert. Geen habijten maar costuums, geen kerkboeken maar dikke dossiers. Hoewel het klooster niet is te bezichtigen laat een vriendelijke heer ons toch even binnen voor een kijkje. De uitbundige barok in hal en trappen­huis doet ons de adem benemen. Marmeren beelden, kostbare schilde­rijen, juichende fresco's. In een donkere hoek staat eenzaam een racefiets. Brede trappen voeren aan weerszijden naar de eerste en de tweede verdieping. 'In de tijd dat dit klooster door de staat werd overgenomen was er een ander levens­gevoel ontstaan. Pracht, praal, uitbun­digheid', onze begelei­der wijst naar het fresco tegen het hoogste plafond. Stralend licht, engelen, lachende mensen, muziek­instrumenten, daaronder een berg krioelende men­sen, meerde­re slangen, een draak met 7 koppen, donkerte. De kunstenaar verlaat zelfs het platte vlak van het fresco en gaat ook ruimtelijk aan de gang. Een boos­wicht hangt aan zijn benen naar beneden in doodsangst, ergens anders bungelt vanonder een kluwen mensen een los been. De lange gangen boven zijn werkterrein. Een meneer loopt met een stapel papieren naar een ander ver­trek, een juffrouw passeert in haast. Van hieruit is er zicht op de binnen­plaats van de huidige jeugdgevangenis. Het is tijd om te luchten. Twee jongens in witte t-shirts, de petjes met de klep naar achteren, hangen tegen een muur en roken. Verveeld. De een geeft de ander een por. De bewaker komt aangelo­pen met een dikke bos sleutels, ze moeten ­naar binnen. Een verhaal van ontsporing en ellende.

 
De wandeling door het bijbehorende park ontspant. Barokke beelden tussen het groen, een fontein spuit. Op de achtergrond haast vorstelijk de voormalige abdij. Witte habij­ten hebben plaats gemaakt voor costuums en witte t-shirts...