POPMUZIEK
IN KLOOSTERKERK VAN EBRACH (3)
'Willen
jullie naar het voormalige cisterciënzerkloostercomplex Ebrach?' Onze uit
Noord-Brabant afkomstige campingburen kijken met medelijden. 'Wij zijn er
gisteren geweest. Niets, helemaal niets! Bouwsteigers, dekkleden, gehamer en
geklop.' Een regelrechte uitdaging...
De
weg van Bamberg naar Würzburg is een feest om te gaan. Ze daalt en stijgt in
aangenaam ritme. Lieflijke dorpen duiken onverwacht op, korenvelden met
klaprozen afgewisseld met aardappelvelden, majestueuze wolkenpartijen.
De
cisterciënzer abdij van Ebrach werd gesticht in 1127 door een zekere Berno. De
stijl was een mengvorm van laatromaans en vroeggotisch. Branden, verwoestingen,
herbouw. In 1803 werd het klooster, hoewel er nog 61 kloosterlingen waren,
opgeheven en werd staatseigendom. En die maakte het tot een uitbundig oord van
barokke kunst. De kloosterkerk staat nu voor het grootste gedeelte in de
steigers. Het probleem is ernstig. De muren van de kerk wijken aan de
bovenzijde heel langzaam uiteen, daardoor kan het dak gaan zakken. Met
ingewikkelde constructies probeert men dit te verhelpen.
De
ingang van de kerk en het daarboven gelegen beroemde roosvenster gaan schuil
achter enorme dekkleden. Arbeiders zijn druk doende, de opzichter raadpleegt
papieren. Een bordje geeft aan dat we om de kerk heen moeten lopen. Via een
kleine deur belanden we pardoes in het koorgedeelte van de kloosterkerk. De
mevrouw achter een tafel met informatie veert op bij het zien van bezoekers. Ze
zit op de tocht en kijkt kouwelijk. Het tarief is nu gehalveerd, legt ze uit.
Ze vertelt wat er te zien is en vooral wat er niet te zien is. We springen over
brede rubberen slangen, gaan behoedzaam over krakende noodvloeren. Achter een
groot kleed verschuilt zich het schip van de kerk. Geen orgelklanken, maar gehamer
en gebeitel, stemmen die elkaar overschreeuwen, popmuziek. Maar hier, in het
koor van de kerk, is het ondanks dat toch een beetje heilig. Er is een
noodliturgisch centrum ingericht. Op het roze vloerkleed staat het altaar met
loper in hetzelfde roze. Daarachter een roodfluwelen zetel. Voor het altaar
staan 5 grote bronzen kandelaars, de middelste drie dragen een kaars, op de
buitenste twee zijn kleine boeketjes geprikt met zwierige slingers klimop. Die
klimop staat voor trouw blijven en hechten en dat is op deze onttakelde plek
een mooie opdracht. Het doopvont, de paaskaars en de lezenaar ontbreken niet.
Het doet haast knussig aan. Om het helemaal af te maken is een gedeelte van het
bouwzeil bedekt met een rood glanzend gordijn met in het midden een crucifix.
En net als ik me wil omdraaien bolt het gordijn op. Een behaarde arm komt
tussen de plooien door, aan die arm zit een jong mens. Hij loopt onbevangen
tussen de heiligheid, begint ijverig maten te nemen. De gelovigen mogen bij een
viering op noodbanken met dikke stukken grijs schuimplastic zitten. Zo wordt
er in brede zin goed voor hen gezorgd. 
Opvallend is het pinkstertafereel boven de zijdeur. Alle apostelen staan samengedrongen op een balkon en kijken omhoog naar een brede baan goud, die vervolgens uitwaaiert in drie kleinere banen. Het goud komt van boven, tientallen engelen met gouden vleugels omgeven de baan in opperste verrukking. Verwarring onder de discipelen, hoog geheven armen, handen voor het gelaat, ongeloof. De barokke pracht van dit gedeelte van de kloosterkerk komt door het gedragen geel met zachtroze afwerking toch rustig over. Tussen de pilaren zie ik in een flits drie andere bezoekers, dan weer zijn ze verdwenen.

De St. Michaëlskapel is het enig overgebleven romaanse gedeelte van de kerk. Sober en ingetogen, hier ligt ook de graftombe van Berno. Op wandborden hier is de werkwijze van de bouw goed te volgen. Indringend zijn de historische beelden waar de cisterciënzers bijeen zijn voor het nachtgebed om twee uur in de ochtend. Ze zitten in de kloostergang tegenover elkaar, de gezichten grotendeels verborgen onder de kappen. Tussen slangen, metseltonnen en krakende plankieren zoeken we de weg naar buiten en wandelen naar de hoofddeur van het voormalige klooster. Dit is nu een oord waar de ambtenarij hoogtij viert. Geen habijten maar costuums, geen kerkboeken maar dikke dossiers. Hoewel het klooster niet is te bezichtigen laat een vriendelijke heer ons toch even binnen voor een kijkje. De uitbundige barok in hal en trappenhuis doet ons de adem benemen. Marmeren beelden, kostbare schilderijen, juichende fresco's. In een donkere hoek staat eenzaam een racefiets. Brede trappen voeren aan weerszijden naar de eerste en de tweede verdieping. 'In de tijd dat dit klooster door de staat werd overgenomen was er een ander levensgevoel ontstaan. Pracht, praal, uitbundigheid', onze begeleider wijst naar het fresco tegen het hoogste plafond. Stralend licht, engelen, lachende mensen, muziekinstrumenten, daaronder een berg krioelende mensen, meerdere slangen, een draak met 7 koppen, donkerte. De kunstenaar verlaat zelfs het platte vlak van het fresco en gaat ook ruimtelijk aan de gang. Een booswicht hangt aan zijn benen naar beneden in doodsangst, ergens anders bungelt vanonder een kluwen mensen een los been. De lange gangen boven zijn werkterrein. Een meneer loopt met een stapel papieren naar een ander vertrek, een juffrouw passeert in haast. Van hieruit is er zicht op de binnenplaats van de huidige jeugdgevangenis. Het is tijd om te luchten. Twee jongens in witte t-shirts, de petjes met de klep naar achteren, hangen tegen een muur en roken. Verveeld. De een geeft de ander een por. De bewaker komt aangelopen met een dikke bos sleutels, ze moeten naar binnen. Een verhaal van ontsporing en ellende.
