Overbrugd

Overbrugd

dinsdag 16 augustus 2016


POPMUZIEK IN KLOOSTERKERK VAN EBRACH (3)

'Willen jullie naar het voormalige cisterciënzerkloostercomplex Ebrach?' Onze uit Noord-Brabant afkomstige campingburen kijken met medelijden. 'Wij zijn er gisteren geweest. Niets, helemaal niets! Bouwsteigers, dekkleden, gehamer en geklop.' Een regelrechte uitda­ging... 

De weg van Bamberg naar Würzburg is een feest om te gaan. Ze daalt en stijgt in aangenaam ritme. Lieflijke dorpen duiken onverwacht op, korenvelden met klaprozen afgewisseld met aardappelvelden, majestueuze wolkenpartijen.
De cisterciënzer abdij van Ebrach werd gesticht in 1127 door een zekere Berno. De stijl was een mengvorm van laatromaans en vroeggotisch. Branden, verwoestingen, herbouw. In 1803 werd het klooster, hoewel er nog 61 kloos­terlingen waren, opgeheven en werd staatseigendom. En die maakte het tot een uitbundig oord van barokke kunst. De kloosterkerk staat nu voor het grootste gedeelte in de steigers. Het probleem is ernstig. De muren van de kerk wijken aan de bovenzijde heel langzaam uiteen, daardoor kan het dak gaan zakken. Met ingewikkelde con­structies probeert men dit te verhelpen.

De ingang van de kerk en het daarboven gelegen beroemde roosvenster gaan schuil achter enorme dekkleden. Arbeiders zijn druk doende, de opzichter raadpleegt papieren. Een bordje geeft aan dat we om de kerk heen moeten lopen. Via een kleine deur belanden we pardoes in het koorgedeelte van de kloosterkerk. De mevrouw achter een tafel met informatie veert op bij het zien van bezoekers. Ze zit op de tocht en kijkt kouwelijk. Het tarief is nu gehal­veerd, legt ze uit. Ze vertelt wat er te zien is en vooral wat er niet te zien is. We springen over brede rubberen slangen, gaan behoedzaam over krakende noodvloeren. Achter een groot kleed verschuilt zich het schip van de kerk. Geen orgelklanken, maar gehamer en gebeitel, stemmen die elkaar over­schreeuwen, popmuziek. Maar hier, in het koor van de kerk, is het ondanks dat toch een beetje heilig. Er is een noodliturgisch centrum inge­richt. Op het roze vloerkleed staat het altaar met loper in hetzelfde roze. Daarachter een roodfluwelen zetel. Voor het altaar staan 5 grote bronzen kandelaars, de middelste drie dragen een kaars, op de buitenste twee zijn kleine boeketjes geprikt met zwierige slingers klimop. Die klimop staat voor trouw blijven en hechten en dat is op deze onttakelde plek een mooie opdracht. Het doop­vont, de paaskaars en de lezenaar ontbre­ken niet. Het doet haast knussig aan. Om het helemaal af te maken is een gedeelte van het bouwzeil bedekt met een rood glanzend gordijn met in het midden een crucifix. En net als ik me wil omdraaien bolt het gordijn op. Een behaarde arm komt tussen de plooien door, aan die arm zit een jong ­mens. Hij loopt onbevangen tussen de heiligheid, begint ijverig maten te nemen. De gelovigen mogen bij een viering op noodbanken met dikke stukken grijs schuim­plastic zitten. Zo wordt er in brede zin goed voor hen ge­zorgd.


Opval­lend is het pinkstertafereel boven de zijdeur. Alle aposte­len staan samenge­drongen op een balkon en kijken omhoog naar een brede baan goud, die vervolgens uitwaaiert in drie kleinere banen. Het goud komt van boven, tientallen engelen met gouden vleugels omgeven de baan in opperste verruk­king. Verwarring onder de discipe­len, hoog geheven armen, handen voor het gelaat, ongeloof. De barokke pracht van dit gedeelte van de klooster­kerk komt door het gedragen geel met zachtroze afwerking toch rustig over. Tussen de pilaren zie ik in een flits drie andere bezoekers, dan weer zijn ze verdwenen.









De St. Michaëlskapel is het enig overgebleven romaanse gedeelte van de kerk. Sober en ingetogen, hier ligt ook de graftombe van Berno. Op wandborden hier is de werkwijze van de bouw goed te volgen. Indringend zijn de histori­sche beelden waar de cisterciënzers bijeen zijn voor het nachtgebed om twee uur in de ochtend. Ze zitten in de kloostergang tegenover elkaar, de gezichten grotendeels verbor­gen onder de kappen. Tussen slangen, metsel­tonnen en krakende plankieren zoeken we de weg naar buiten en wandelen naar de hoofddeur van het voorma­lige kloos­ter. Dit is nu een oord waar de ambtenarij hoogtij viert. Geen habijten maar costuums, geen kerkboeken maar dikke dossiers. Hoewel het klooster niet is te bezichtigen laat een vriendelijke heer ons toch even binnen voor een kijkje. De uitbundige barok in hal en trappen­huis doet ons de adem benemen. Marmeren beelden, kostbare schilde­rijen, juichende fresco's. In een donkere hoek staat eenzaam een racefiets. Brede trappen voeren aan weerszijden naar de eerste en de tweede verdieping. 'In de tijd dat dit klooster door de staat werd overgenomen was er een ander levens­gevoel ontstaan. Pracht, praal, uitbun­digheid', onze begelei­der wijst naar het fresco tegen het hoogste plafond. Stralend licht, engelen, lachende mensen, muziek­instrumenten, daaronder een berg krioelende men­sen, meerde­re slangen, een draak met 7 koppen, donkerte. De kunstenaar verlaat zelfs het platte vlak van het fresco en gaat ook ruimtelijk aan de gang. Een boos­wicht hangt aan zijn benen naar beneden in doodsangst, ergens anders bungelt vanonder een kluwen mensen een los been. De lange gangen boven zijn werkterrein. Een meneer loopt met een stapel papieren naar een ander ver­trek, een juffrouw passeert in haast. Van hieruit is er zicht op de binnen­plaats van de huidige jeugdgevangenis. Het is tijd om te luchten. Twee jongens in witte t-shirts, de petjes met de klep naar achteren, hangen tegen een muur en roken. Verveeld. De een geeft de ander een por. De bewaker komt aangelo­pen met een dikke bos sleutels, ze moeten ­naar binnen. Een verhaal van ontsporing en ellende.

 
De wandeling door het bijbehorende park ontspant. Barokke beelden tussen het groen, een fontein spuit. Op de achtergrond haast vorstelijk de voormalige abdij. Witte habij­ten hebben plaats gemaakt voor costuums en witte t-shirts...