Overbrugd

Overbrugd

vrijdag 6 november 2026

Soms kan een weerzien na vele jaren pijn doen. Soms is er geen herkenning en moet je de pijn zelf dragen. Of wordt de pijn vooral veroorzaakt omdat er geen herkenning is van de andere kant? Zo verging het mij afgelopen week bij een bezoek aan de poli van ziekenhuis Meppel. Ooit werkte ik op die plek, maar het Diaconessenhuis is al jaren weg. Er werd een nieuw ziekenhuis gebouwd maar ook dat is al weer weg. Nu staat er een rijzig en stenig ziekenhuis aan de ene kant van de Reggersweg en aan de andere kant staat de poli. Met grote letters staat boven de ingang Isala. Alleen de Hoogeveensevaart is ongewijzigd en lijkt mijn pijn te voelen. Waar is nu dat kleine vriendelijke restaurant 'De Halve Stuiver'? Waar is nu het fruittentje? Waar is het rustieke bruggetje over de Hoogeveensevaart, waar ik tientallen keren overheen wandelde naar de boerderij waar de boerin een klein winkeltje dreef in noodzakelijke boodschappen. Ik keek naar het net van brede wegen, naar de verkeerslichten, naar de drukte op het plein voor de poli en ik keek naar de rij bezoekers vanuit het ziekenhuis op weg naar de parkeerplaats. De pijn kwam vooral omdat het ziekenhuis me niet begroette en ook het half bestrate Reggersweggetje van toen leek me niet te herkennen. Op dat weggetje werden verkeringen aangegaan en ontbonden. Er zal nog wel meer gebeurd zijn, zoals graag doorvertelde roddels doen vermoeden. Nu heet het deftig Reggersweg. Ik dacht aan mijn diensten als analiste. Wist ik dat ik opgeroepen zou worden dan dronken mijn lief en ik koffie in 'De Halve Stuiver'. 'Heb je weer dienst, meisje?', zo begroette mij dan de eigenaar. Waarop ik vertelde aan welke tafel we graag koffie wilden en mocht het ziekenhuis bellen, of hij me dan wilde waarschuwen. Er was ook een verhoogd gedeelte. Daar stond een biljart en ik zie nog zo mijn baas de apotheker biljarten met de gynaecoloog. Ook zij hadden dienst en dat gaf altijd een saamhorig gevoel. Ik zie ook de andere artsen, een kleine bezetting, maar zo hecht. En dan de diaconessen. Op zondag in stemmig zwart, lange mouwen en een deftige witte boord met bijpassend kapje. Ik zie nog mijn collega's, een stuk of acht tussen de twintig en vijfentwintig jaar. Als ik mijn ogen sluit zit ik in de kring koffie te drinken en hoor ik het wel en wee voorbijgaan. Verschillende collega's zijn gaan hemelen, evenals mijn baas, evenals de artsen, evenals de diaconessen. Ik maak me los van alle herinneringen en ga de poli binnen. De Isala is behoorlijk uitgebreid en alles lijkt op Zwolle en ook op Kampen. Let op de borden, volg de instructies en let vooral op het scherm wanneer en waar je verwacht wordt. Er is geen enkele secretaresse. Na een klein half uur staan we weer buiten. In een lange blik neem ik alles op, probeer het me eigen te maken. Toch lastig. De enige die het begrijpt is de Hoogeveensevaart. Maar haar tranen zijn al lang geleden meegevoerd in het altijd stromende water...

 



 

 


 


Beelden van het klinisch chemisch laboratorium van het Diaconessenhuis Meppel.. 

vrijdag 30 oktober 2026

Herfst... paddenstoelentijd! Wandel door het bos en je zult ze tegenkomen. In alle soorten en maten. Maar toch, die rode met witte stippen, daar gaat je hart bij open. In mijn kindertijd tekende ik kabouterhuisjes. Rood dak, witte muren, een deur in het midden met een ronding aan de bovenkant. Kleine knusse raampjes, een dakgoot, een regenton, een paadje naar de weg. Altijd rook uit het schoorsteentje en een paar vogels in de lucht. De kabouter werd er fluks bijgetekend, maar die kon nooit door het deurtje dat zoveel kleiner was. Meestal hing de waslijn vol met kabouterkleertjes. Tot slot nog reusachtige zonnebloemen en klaar was het. Dan is er nog een gebeurtenis uit mijn kleutertijd waarin de paddenstoel de hoofdrol had. Juf had laten zien waar we in de herfst mee aan de slag gingen. Haarscherp zie ik het voor me. Op een stevig karton 40 x 30 cm stond een kabouterhuis. Op het dak lag een laag watten, versgevallen sneeuw. Een deur en raampjes en zelfs een schoorsteentje. Een paadje liep naar het tuinhek en daar hing een lantaarntje aan. Er was een dichtgevroren vijver van zilverpapier. En een boom, stevig opgerold papier, aan de onderzijde ingeknipt werd vastgeplakt aan de ondergrond. Uit de opening aan de bovenkant kwamen de kale takken. Eem dikke laag watten en ook een paar diertjes. Wij als kleuters keken ademloos. Er omheen was een hek van gevlochten papieren stroken. Ieder mocht een kleur kiezen, ik nam roze. En Henny, mijn hartsvriendin nam lichtblauw. En toen gingen we aan het werk. Eerst vlechten, elke dag een poosje en op een rood vel karton had juf al een deur en raampjes getekend, het kabouterhuis. Dat moest uitgeprikt worden. Vele uren prikwerk! Maar het eindresultaat zou prachtig zijn. Toen werd ik ziek, een aantal weken kon ik niet naar school en nog erger, ook niet werken aan mijn kabouterhuis in de besneeuwde tuin met dat prachtige roze hek. Toen was ik beter en popelde om weer te gaan werken aan dat sprookjesachtige kabouterhuis in de besneeuwde tuin. Nog voel ik de teleurstelling: iedereen had doorgewerkt aan het kabouterhuis en tuin en ieder had het al in huis. Juf had mijn werkstuk maar afgemaakt en het eerste wat ik riep was: 'Maar dat is niet van mij, ik had een roze hek en dit is donkergrijs.' Waarop juf troostte: 'Maar echt, dit is veel mooier, veel echter.' Mijn werkstuk was zoekgeraakt en juf had het op deze manier opgelost en vermoedelijk zelf ook gemaakt. Toen mijn vader me uit school haalde mocht het werkstuk mee. Ik had een onbestemd gevoel. Het kreeg een opvallende plek in de huiskamer. Maar toch, mijn getekende kabouterhuis had mij meer plezier gegeven dan het beeldschone wintertafereel met het ruimtelijke kabouterhuis... 

  

 


dinsdag 27 oktober 2026

Afgelopen weekend zat ik weer een half uurtje lekker te lezen in de bieb van Zuidlaren. Is het de vriendelijkheid van het personeel, is het de gemoedelijkheid van de bezoekers, lijken Trump, Poetin en Netanyahu op de maan te zitten of ligt het vooral aan mezelf: even na een wilde week de ontspanning ondergaan? Het leven is nooit glad, is het één weer opgelost, dan staat het volgende probleem al weer klaar. En is dat er nog niet, wel dan zoek ik zelf wel door de journaals vaak te bekijken en de mobiel te raadplegen. Hoe is de situatie in de wereld of wat hebben onze politici nu weer bedacht? Dan kom je bij de wachtkamer voor fysiotherapie onverwacht een artikel tegen van Anselm Grün, benedictijner monnik in een klooster in Münsterschwarzach (Duitsland) Jaren geleden bezocht ik het klooster. Ik herinner me een enorme kloosterkerk, sober en donker. Wij waren de enige bezoekers op dat moment. Terug naar de bieb in Zuidlaren. Op de leestafel ontdekte ik een bijlage van 'Het Dagblad van het Noorden' van 32 bladzijden met als titel 'Toendertijd'. Pure nostalgie van jaren geleden. Veel dingen waren zelfs voor mij nog herkenbaar en het was even mateloos genieten. Het waren artikelen van lezers, foto's uit de archieven van de krant en bijzondere advertenties uit voornamelijk Drenthe en Groningen. Veelbelovende titels boven de artikelen, zo las ik o.a. 'We hadden één kamer met een opklapbed', 'Boterham op de kachel', 'De wc was een emmer op het balkon', Je draaide aan een knopje en het licht ging aan', 'Karnemelksepap in een deken mee naar huis'. Om er maar een paar te noemen. Ouderwetse plees in de donkerte buiten, soms zelfs voor twee personen. Toe maar. Men hield kennelijk erg van gezelligheid. Feest de herkenning voor mij waren twee kleurenfoto's. De fotograaf wordt niet genoemd, maar wat er zoals te zien is herkenbaar en veel lezers zullen zich zelf die gezellig bordspelen herinneren. Een moeder bezig met naaiwerk, een vader die de krant leest met de asbak binnen bereik, de radio staat aan en een eigenaardige lamp verspreidt warm licht. En dan die foto uit de keuken. Wat een net mens stond daar achter een twee pittiggasstel. Help, ik sta daar in spijkerbroek en roer het liefst in bijna kant klare spullen. Een geyser, koffie filteren, geen koelkast. De pannen keurig op een rij met valletjes langs de kanten. Mijn ogen zagen steeds weer nieuwe accenten, maar de schort en de keurige mevrouw vond ik ronduit indrukwekkend! Zo heeft iedere tijd zijn zorgen, maar ook zijn charmes. Wat ik me al tikkend afvraag is: Zitten onze nazaten zich over zo'n vijftig jaar ook te vermaken over ons hedendaagse leven? 

 


 


 

woensdag 21 oktober 2026

Ooit had ik meegedaan aan een marathon lezing van de Nieuwe Bijbelvertaling van het Nieuwe Testament. Een vroeg uur, klokslag vier uur 's nachts stapte ik de kerk aan de Wilhelminalaan in Kampen binnen. Een heel aparte sfeer en ik bofte met een prachtig gedeelte. Jaren later organiseerde men weer zo'n lezing maar nu van het Oude Testament in de Nieuwe Bijbelvertaling. Ditmaal was de Lutherse Kerk aan de beurt en omdat het tijdstip overdag was gaf ik me op. Tien jaar was ik lector geweest in onze gemeente en ik heb dat met veel plezier gedaan. De sfeer op die middag van de lezing was mogelijk nog geheimzinniger dan in eerstgenoemde kerk. Men fluisterde en iemand was bezig met het bijbelboek Job. Ik moest aansluiten bij drie andere lezers en als er een zacht klingeltje klonk ging de volgende lezer verder. En zo geschiedde. Omdat ik doorgaans niet iemand van de vrolijksten ben las ik met veel empathie verder in Job en leefde zeer mee. Toen moest ik weer gaan zitten bij de anderen want ieder mocht nog een keer lezen. Ondertussen kwamen er bezoekers binnen en gingen heel zachtjes achterin de kerk zitten om te luisteren naar de klaagliederen van Job. En het was nogal wat waar deze mooie bijbelse figuur mee te maken kreeg. Na het zoveelste klingeltje ging ik verder met Job en het hield maar niet op waar hij mee te maken kreeg. Bar en boos! Het bekende geluid stopte mijn lezing, ik was klaar en sloop naar de organisatie die bij de deur zat. Goede wederzijdse woorden en toen stond ik buiten. Verdwaasd keek ik naar al die gekkigheid op straat. Wat zou Job hier van zeggen? Toch opmerkelijk, bij binnenkomst klonken de klaagliederen van Job en bij het verlaten van de kerk klonken ze nog...

 'Mooi gelezen', zei een goede collega tegen me bij onze gezamenlijke dienst in het Ikonenmuseum. 'Ik ben eens even binnen gelopen om te luisteren, maar lezen kun je wel.' En hij kan het weten, want hij heeft de theologische studie gedaan.

 



 De Lutherse Kerk in Kampen...

vrijdag 16 oktober 2026

 Vervolg:

Op een fraaie zomerdag duwde ik het smeedijzeren hek van het kleine dorpskerkhof open. Ik was op zoek naar zijn graf. Niet alleen uit piëteit, maar ook uit nieuwsgierigheid. Mogelijk waren er op de grafsteen aanknopingspunten naar het bewuste lied? Dicht bij een brede treurwilg vond ik het graf. Het lag gedeeltelijk in de schaduw en gedeeltelijk in de zon. Mooie symboliek voor de levensloop van een mens. De steen was dof en glansloos geworden in de loop van de vele seizoenen. De in de grafsteen opgenomen bloemenvaas zat vol afgevallen blad. Op de steen stond: 'Hier rust mijn lieve man en onze lieve vader Hendrik Johan Schuitemaker.' Tussen twee jaartallen 1898 - 1965 lag zijn leven. Hij was 67 jaar geworden. In kleine letters stond daaronder 2 Tim. 4:7. Toen ik me voorover boog naar de grafplaat las ik in het midden met moeite: 'Ik hef mijn ogen naar de bergen vanwaar mijn hulp komen zal.' Hun trouwtekst? Thuisgekomen zocht ik het bewuste bijbelgedeelte in Timotheüs op. Ik las: 'Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb mijn loop teneinde gebracht, ik heb het geloof behouden.' Het sloot feilloos aan bij het bewuste lied.

Nog eenmaal mag hij herleven op een bijzondere manier. En dat door het onverwachte zingen van zijn lievelingslied 'Och, of wij uw geboôn volbrachten!'...

  


 Hier begon hij als hoofdonderwijzer...

   


 En hier eindigde zijn werk als bovenmeester...

 

donderdag 15 oktober 2026

 Vervolg:

'Hoe herinner jij hem eigenlijk?', ik vroeg het aan een vriendin uit die tijd. Ze zei verwijtend: 'Ik heb hem nooit vergeven dat hij mij isoleerde naar de achterste bank. Het was een koude, nare plek en dat alleen omdat ik vaak zat te kletsen. 'Grinnikmeid', zo noemde hij me. 'Vraag eens of je huilend of lachend bent geboren?' In haar stem klonk nog lichte boosheid. Een andere vriendin was gauw klaar, slechts één ding deed pijn, meldde ze. Bij een leesbeurt zei ik tegen reçu per ongeluk reku. 'Er uit', riep hij en zette kracht bij met een schop tegen mijn achterste.' Toen ik tenslotte mijn broer er na vroeg, zei hij: 'Ik heb nooit last van hem gehad, terwijl ik toch met alle onderwijzers iets heb beleefd.' Mijn herinneringen gingen verder. Ik zie mezelf als klein meisje lopen in een brede uitgestorven schoolgang vol met jassen. Ik moest een opstel laten lezen aan de hoofdonderwijzer. Een zacht klopje op de deur, een krachtige stem: 'Binnen!' Aarzelend stak ik mijn schrift toe en zei zacht dat de meester wilde dat hij mijn opstel zou lezen. Hij las drie zinnen, zei toen: 'Leestekens kind, leestekens.' En met de scherpe punt van een potlood schreef hij met grote dikke letters bovenaan de bladzijde: 'Leestekens!' Dan zijn er de beelden uit kerkdiensten. Elke zondagmorgen las hij de Tien Geboden voor vanaf een verhoging omgeven door een hekje, gekleed in een donkerblauw krijtstreepkostuum. Hij was moeilijk te verstaan, hij wachtte de nagalm niet af. Na zijn taak zat hij roerloos in de schaduw van de preekstoel en leek in het geheel niet meer op de mens van de afgelopen week. Soms zag ik ze gaan door het dorp, zijn vrouw en hij. Ze liepen gearmd en hielden de hoofden dicht bij elkaar in een vertrouwelijk gesprek. Hij was opnieuw anders. Het laatst zag ik hem bij het uitgaan van de kerk. We liepen samen door het middenpad en waren bijna even groot. 'Hoe gaat het met je kind?', vroeg hij. 'Goed meester, heel goed.' Met een 'Dat is mooi', tikte hij even op mijn arm.

Wordt vervolgd. 

  


 In de schaduw van de preekstoel las hij elke zondagmorgen de Tien Geboden...

 

woensdag 14 oktober 2026

Vervolg:

Hij dook met ons in de geschiedenis. Alle veldslagen konden we dromen. Hij vertelde aanschouwelijk over Alva en Filips de Tweede en toen het hoofd van Marie-Antoinette in de mand viel, rolden bij ons de tranen over de wangen. Over de Tweede Wereldoorlog sprak hij nooit. Het was voor hem te beladen. Twee keer in de week moesten we cijferen. En vreemd, er ontstond dan een soort wedstrijdsfeer. Hadden we een bladzijde af, dan holden we naar hem toe om vervolgens stokstijf bij zijn lessenaar tot stilstand te komen. Meester greep met de ene hand het antwoordenboekje en met de andere het schrift en legde ze naast elkaar. Met een puntig rood potlood vloog hij langs de antwoorden. En na een 'Goed kind, ga maar verder', zetten we de onafgesproken wedstrijd voort, de wangen rood. We hadden alle gevoel voor tijd verloren. Hij niet. Het horloge werd regelmatig uit de vestzak gehaald en met een 'Opruimen, het is bijna twaalf uur', werd de ochtend afgesloten. Dan zong hij, de vingen onafgebroken op de schoolbel houdend, uit volle borst altijd dat ene lied:

Och, of wij uw geboôn volbrachten! Genâ, o hoogste Majesteit! Gun door 't geloof in Christus krachten, om die te doen uit dankbaarheid. 

Wij zongen mee, gedwee. De middag stond ook bol van kennis. Uit de stad liet hij boekjes komen met de eerste begrippen van de Franse taal. Hij deelde dikke boeken rond waarin de prestaties van beroemde mensen werden beschreven. Albert Schweitzer, Florence Nightingale, David Livingstone, Albert Einstein. Ik moest mij bezighouden met Marie Curie. Het gemodder van Marie en haar man Pierre vergeet ik nooit meer. Soms keek hij stil en nadenkend naar ons. Zijn gezicht werd dan zacht en zijn stem klonk anders. Het waren slechts korte momenten. Aan het eind van het schooljaar namen we afscheid en toen wij hem een paar maanden later opzochten in de net nieuwgebouwde school was hij zichtbaar geroerd. Zittend om een grote ronde tafel met een flinke pot thee in het midden, zei hij: 'Ik was altijd zo gek met jullie.'

 

 

De achterzijde van zijn huis keek uit over het Zwartewater...

Wordt vervolgd.