Ze had zich gedeeltelijk verstopt achter de brede rug van Boeddha. Zo kon ze ongezien de tranen laten gaan. Tot ik haar zag. Het was vooral de herkenbaarheid in haar verdriet die me deed me besluiten deze treurende Moeder Gods onderdak te bieden.
'Ik ben een beetje door de heiligheid heen en het aanvullen wordt steeds moeilijker', vertelde de eigenaar van het ludieke snuffelzaakje, waar ik op gezette tijden op adem pleeg te komen. 'Boeddha's doen het op dit moment heel goed, haast niet aan te slepen. En verder, nou ja kijkt u maar.' En met een brede armzwaai nodigde hij me uit toch te gaan snuffelen. Ik wrong me langs de poppenhuizen, mierzoete Maria's, een kast vol wierookstaafjes, wijwaterbakjes, kleurige stofjes en Boeddha's groot en klein met steeds dezelfde verziende blik. En toen zag ik nog net een tipje van haar op de onderste plank van een openstaande kast. Ik knielde neer en trok haar behoedzaam achter de brede rug van een grote grijze Boeddha vandaan. Haar tranen leken in een geruisloze stroom neer te vallen, onafgebroken. Ze was prachtig in al haar deernis. Het hoofd naar voren gebogen en half gesluierd. De ogen gesloten om vooral niets meer te hoeven zien. De strakke rechte neus verhoogde de verfijnde trekken. Maar ach, op haar voorhoofd zat een kras en ook haar wang was gehavend. De glazuurlaag liet kennelijk los op die plek. Het mooist was haar hand, slank en gevoelig, ze bedekte daarmee haar hart. Ik zette haar voorzichtig op de toonbank en de meneer er achter rolde Maria in een krant en nog een krant, stopte toen het pakket in een plastic tasje. 'Veel plezier er mee', zei hij en dat klonk weinig eerbiedig. Thuis zette ik de treurende Moeder dicht bij de Paaskaars. Ze kon best wat troost gebruiken. En toen liet het Stabat Mater van Pergolesi voor haar klinken. Ze leek tot rust te komen en aandachtig te luisteren...
De treurende Moeder Gods...