Dolf Jansen (cabaretier, schrijver en radiomaker) schreef vandaag een column, op het achterblad van 'Trouw', een column die regelrecht mijn hart doorboorde. Even nog heb ik gedacht zal ik die in twee afleveringen overnemen voor mijn blog? Nee, ik doe het niet in de hoop dat veel mensen de column van Jansen zullen lezen. Vooral al dat ene zinnetje van vluchtelinge Sara die als vurige wens zei: 'Ik wil een kamer hebben met muren en een plafond waar niemand mij kan horen huilen.' En daar alleen kun je al om huilen...
Een gebeurtenis uit mijn jeugd, die ik toen als snijdend heb ervaren en mij goed is bijgebleven. Het was in klas vijf. Meester vertelde dat hij veel mapjes had met postzegels voor verzamelaars en dat hij ons er blij mee wilde maken. Dat moesten we verdienen door op een soort 'knaplijstje' te komen. En dat lijstje was op het schoolbord te lezen. En had je dat op vrijdagmiddag aan het eind van de schoolweek gehaald, dan mocht je zo'n mapje uitzoeken. Ik dacht aan mijn broer die met hersenschudding op bed lag. Al dagen. Hij spaarde postzegels en mijn plan was binnen vijf minuten gemaakt: ik moest zien op dat lijstje te komen! Het lukte. De hele week werkte ik voorbeeldig of ik zat als een beeld roerloos met de armen over elkaar en droomde van de postzegels.Was ik niet om half twee die laatste middag naar school gehuppeld met de belofte aan mijn broer dat ik kwart voor vier terug was met de postzegels. Het liep heel anders. Die middag kregen wij meisjes van klas vijf handwerkles in een ander lokaal. Vriendin Janny was een rebelse leerling. Ook zij wist op dat 'knaplijstje' te komen maar die vrijdagmiddag liep ze even uit de bank en toen stuurde de handwerkjuf haar naar de gang. En laat nou meester dat ontdekken. Hoe? We zullen het nooit weten. Vlak voor het eind van de handwerkles ging ik drie stapjes uit de bank om op de torenklok te kijken naar de tijd. Oh wee, de juf stuurde me voor die laatste minuten nog naar de gang. We waren terug in ons lokaal en meester veegde met een enorme zwaai Janny van het 'knaplijstje'. We versteenden. Er werd in mijn binnenste een felle strijd gevoerd: de ene stem zei dat ik mijn korte verblijf op de gang moest melden, die andere stem zei, nee hoor je hebt er maar heel even gestaan. Wanneer ik het voorval zou vertellen kon mijn zieke broer naar de zegels fluiten. ik hoefde niet meer te kiezen. Janny greep me bij een arm en riep: 'Nu moet jij het ook zeggen dat je op de gang hebt gestaan', en ze duwde me al schreeuwend naar de meester toe. Ik had geen keuze meer en zei het haast timide. Meester reageerde dat hij het heel eerlijk van me vond maar ja... En daar verdween mijn naam, wreed door de borstel gewist. Er bleef een lege plek achter op het bord. Een zwarte glimmende plek. En toen moest ik naar huis. En nog weet ik hoe de weg voelde, eindeloos lang, tegelijkertijd te kort om het drama te verwerken. Bedremmeld stond ik voor het bed van mijn broer en vertelde hortend en stotend over het drama. Hij zweeg en zei even later: 'Wil je eens met deze kauwgum prop naar de hoek van de kamer lopen, dan kan ik zien hoe ver de draad is.' De volgende maandag stond ik al voor twaalven op het 'knaplijstje'. En ik hield vol en als beloning mocht ik vrijdagmiddag een mapje uitzoeken. Ik koos zegels uit Zuid-Afrika. Mijn broer was heel tevreden met mijn keuze, ik kreeg een paar kauwgummetjes van hem. Maar het blije van de vorige week kon ik niet meer opbrengen...
Ik woonde op een boerderij waar iedereen lawaai kon maken zonder dat anderen er last van hadden. Sara vraagt slechts om een kamer met muren en een plafond zodat ze ongezien kan huilen. Kinderleed...
Op weg naar school kwam ik altijd voorbij de plek waar de Dedemsvaart in de stadsgracht uitmondde. Ook toen, met die snijdende pijn, moet ik dat punt gepasseerd zijn...
