Overbrugd

Overbrugd

dinsdag 27 oktober 2026

Afgelopen weekend zat ik weer een half uurtje lekker te lezen in de bieb van Zuidlaren. Is het de vriendelijkheid van het personeel, is het de gemoedelijkheid van de bezoekers, lijken Trump, Poetin en Netanyahu op de maan te zitten of ligt het vooral aan mezelf: even na een wilde week de ontspanning ondergaan? Het leven is nooit glad, is het één weer opgelost, dan staat het volgende probleem al weer klaar. En is dat er nog niet, wel dan zoek ik zelf wel door de journaals vaak te bekijken en de mobiel te raadplegen. Hoe is de situatie in de wereld of wat hebben onze politici nu weer bedacht? Dan kom je bij de wachtkamer voor fysiotherapie onverwacht een artikel tegen van Anselm Grün, benedictijner monnik in een klooster in Münsterschwarzach (Duitsland) Jaren geleden bezocht ik het klooster. Ik herinner me een enorme kloosterkerk, sober en donker. Wij waren de enige bezoekers op dat moment. Terug naar de bieb in Zuidlaren. Op de leestafel ontdekte ik een bijlage van 'Het Dagblad van het Noorden' van 32 bladzijden met als titel 'Toendertijd'. Pure nostalgie van jaren geleden. Veel dingen waren zelfs voor mij nog herkenbaar en het was even mateloos genieten. Het waren artikelen van lezers, foto's uit de archieven van de krant en bijzondere advertenties uit voornamelijk Drenthe en Groningen. Veelbelovende titels boven de artikelen, zo las ik o.a. 'We hadden één kamer met een opklapbed', 'Boterham op de kachel', 'De wc was een emmer op het balkon', Je draaide aan een knopje en het licht ging aan', 'Karnemelksepap in een deken mee naar huis'. Om er maar een paar te noemen. Ouderwetse plees in de donkerte buiten, soms zelfs voor twee personen. Toe maar. Men hield kennelijk erg van gezelligheid. Feest de herkenning voor mij waren twee kleurenfoto's. De fotograaf wordt niet genoemd, maar wat er zoals te zien is herkenbaar en veel lezers zullen zich zelf die gezellig bordspelen herinneren. Een moeder bezig met naaiwerk, een vader die de krant leest met de asbak binnen bereik, de radio staat aan en een eigenaardige lamp verspreidt warm licht. En dan die foto uit de keuken. Wat een net mens stond daar achter een twee pittiggasstel. Help, ik sta daar in spijkerbroek en roer het liefst in bijna kant klare spullen. Een geyser, koffie filteren, geen koelkast. De pannen keurig op een rij met valletjes langs de kanten. Mijn ogen zagen steeds weer nieuwe accenten, maar de schort en de keurige mevrouw vond ik ronduit indrukwekkend! Zo heeft iedere tijd zijn zorgen, maar ook zijn charmes. Wat ik me al tikkend afvraag is: Zitten onze nazaten zich over zo'n vijftig jaar ook te vermaken over ons hedendaagse leven? 

 


 


 

woensdag 21 oktober 2026

Ooit had ik meegedaan aan een marathon lezing van de Nieuwe Bijbelvertaling van het Nieuwe Testament. Een vroeg uur, klokslag vier uur 's nachts stapte ik de kerk aan de Wilhelminalaan in Kampen binnen. Een heel aparte sfeer en ik bofte met een prachtig gedeelte. Jaren later organiseerde men weer zo'n lezing maar nu van het Oude Testament in de Nieuwe Bijbelvertaling. Ditmaal was de Lutherse Kerk aan de beurt en omdat het tijdstip overdag was gaf ik me op. Tien jaar was ik lector geweest in onze gemeente en ik heb dat met veel plezier gedaan. De sfeer op die middag van de lezing was mogelijk nog geheimzinniger dan in eerstgenoemde kerk. Men fluisterde en iemand was bezig met het bijbelboek Job. Ik moest aansluiten bij drie andere lezers en als er een zacht klingeltje klonk ging de volgende lezer verder. En zo geschiedde. Omdat ik doorgaans niet iemand van de vrolijksten ben las ik met veel empathie verder in Job en leefde zeer mee. Toen moest ik weer gaan zitten bij de anderen want ieder mocht nog een keer lezen. Ondertussen kwamen er bezoekers binnen en gingen heel zachtjes achterin de kerk zitten om te luisteren naar de klaagliederen van Job. En het was nogal wat waar deze mooie bijbelse figuur mee te maken kreeg. Na het zoveelste klingeltje ging ik verder met Job en het hield maar niet op waar hij mee te maken kreeg. Bar en boos! Het bekende geluid stopte mijn lezing, ik was klaar en sloop naar de organisatie die bij de deur zat. Goede wederzijdse woorden en toen stond ik buiten. Verdwaasd keek ik naar al die gekkigheid op straat. Wat zou Job hier van zeggen? Toch opmerkelijk, bij binnenkomst klonken de klaagliederen van Job en bij het verlaten van de kerk klonken ze nog...

 'Mooi gelezen', zei een goede collega tegen me bij onze gezamenlijke dienst in het Ikonenmuseum. 'Ik ben eens even binnen gelopen om te luisteren, maar lezen kun je wel.' En hij kan het weten, want hij heeft de theologische studie gedaan.

 



 De Lutherse Kerk in Kampen...

vrijdag 16 oktober 2026

 Vervolg:

Op een fraaie zomerdag duwde ik het smeedijzeren hek van het kleine dorpskerkhof open. Ik was op zoek naar zijn graf. Niet alleen uit piëteit, maar ook uit nieuwsgierigheid. Mogelijk waren er op de grafsteen aanknopingspunten naar het bewuste lied? Dicht bij een brede treurwilg vond ik het graf. Het lag gedeeltelijk in de schaduw en gedeeltelijk in de zon. Mooie symboliek voor de levensloop van een mens. De steen was dof en glansloos geworden in de loop van de vele seizoenen. De in de grafsteen opgenomen bloemenvaas zat vol afgevallen blad. Op de steen stond: 'Hier rust mijn lieve man en onze lieve vader Hendrik Johan Schuitemaker.' Tussen twee jaartallen 1898 - 1965 lag zijn leven. Hij was 67 jaar geworden. In kleine letters stond daaronder 2 Tim. 4:7. Toen ik me voorover boog naar de grafplaat las ik in het midden met moeite: 'Ik hef mijn ogen naar de bergen vanwaar mijn hulp komen zal.' Hun trouwtekst? Thuisgekomen zocht ik het bewuste bijbelgedeelte in Timotheüs op. Ik las: 'Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb mijn loop teneinde gebracht, ik heb het geloof behouden.' Het sloot feilloos aan bij het bewuste lied.

Nog eenmaal mag hij herleven op een bijzondere manier. En dat door het onverwachte zingen van zijn lievelingslied 'Och, of wij uw geboôn volbrachten!'...

  


 Hier begon hij als hoofdonderwijzer...

   


 En hier eindigde zijn werk als bovenmeester...

 

donderdag 15 oktober 2026

 Vervolg:

'Hoe herinner jij hem eigenlijk?', ik vroeg het aan een vriendin uit die tijd. Ze zei verwijtend: 'Ik heb hem nooit vergeven dat hij mij isoleerde naar de achterste bank. Het was een koude, nare plek en dat alleen omdat ik vaak zat te kletsen. 'Grinnikmeid', zo noemde hij me. 'Vraag eens of je huilend of lachend bent geboren?' In haar stem klonk nog lichte boosheid. Een andere vriendin was gauw klaar, slechts één ding deed pijn, meldde ze. Bij een leesbeurt zei ik tegen reçu per ongeluk reku. 'Er uit', riep hij en zette kracht bij met een schop tegen mijn achterste.' Toen ik tenslotte mijn broer er na vroeg, zei hij: 'Ik heb nooit last van hem gehad, terwijl ik toch met alle onderwijzers iets heb beleefd.' Mijn herinneringen gingen verder. Ik zie mezelf als klein meisje lopen in een brede uitgestorven schoolgang vol met jassen. Ik moest een opstel laten lezen aan de hoofdonderwijzer. Een zacht klopje op de deur, een krachtige stem: 'Binnen!' Aarzelend stak ik mijn schrift toe en zei zacht dat de meester wilde dat hij mijn opstel zou lezen. Hij las drie zinnen, zei toen: 'Leestekens kind, leestekens.' En met de scherpe punt van een potlood schreef hij met grote dikke letters bovenaan de bladzijde: 'Leestekens!' Dan zijn er de beelden uit kerkdiensten. Elke zondagmorgen las hij de Tien Geboden voor vanaf een verhoging omgeven door een hekje, gekleed in een donkerblauw krijtstreepkostuum. Hij was moeilijk te verstaan, hij wachtte de nagalm niet af. Na zijn taak zat hij roerloos in de schaduw van de preekstoel en leek in het geheel niet meer op de mens van de afgelopen week. Soms zag ik ze gaan door het dorp, zijn vrouw en hij. Ze liepen gearmd en hielden de hoofden dicht bij elkaar in een vertrouwelijk gesprek. Hij was opnieuw anders. Het laatst zag ik hem bij het uitgaan van de kerk. We liepen samen door het middenpad en waren bijna even groot. 'Hoe gaat het met je kind?', vroeg hij. 'Goed meester, heel goed.' Met een 'Dat is mooi', tikte hij even op mijn arm.

Wordt vervolgd. 

  


 In de schaduw van de preekstoel las hij elke zondagmorgen de Tien Geboden...

 

woensdag 14 oktober 2026

Vervolg:

Hij dook met ons in de geschiedenis. Alle veldslagen konden we dromen. Hij vertelde aanschouwelijk over Alva en Filips de Tweede en toen het hoofd van Marie-Antoinette in de mand viel, rolden bij ons de tranen over de wangen. Over de Tweede Wereldoorlog sprak hij nooit. Het was voor hem te beladen. Twee keer in de week moesten we cijferen. En vreemd, er ontstond dan een soort wedstrijdsfeer. Hadden we een bladzijde af, dan holden we naar hem toe om vervolgens stokstijf bij zijn lessenaar tot stilstand te komen. Meester greep met de ene hand het antwoordenboekje en met de andere het schrift en legde ze naast elkaar. Met een puntig rood potlood vloog hij langs de antwoorden. En na een 'Goed kind, ga maar verder', zetten we de onafgesproken wedstrijd voort, de wangen rood. We hadden alle gevoel voor tijd verloren. Hij niet. Het horloge werd regelmatig uit de vestzak gehaald en met een 'Opruimen, het is bijna twaalf uur', werd de ochtend afgesloten. Dan zong hij, de vingen onafgebroken op de schoolbel houdend, uit volle borst altijd dat ene lied:

Och, of wij uw geboôn volbrachten! Genâ, o hoogste Majesteit! Gun door 't geloof in Christus krachten, om die te doen uit dankbaarheid. 

Wij zongen mee, gedwee. De middag stond ook bol van kennis. Uit de stad liet hij boekjes komen met de eerste begrippen van de Franse taal. Hij deelde dikke boeken rond waarin de prestaties van beroemde mensen werden beschreven. Albert Schweitzer, Florence Nightingale, David Livingstone, Albert Einstein. Ik moest mij bezighouden met Marie Curie. Het gemodder van Marie en haar man Pierre vergeet ik nooit meer. Soms keek hij stil en nadenkend naar ons. Zijn gezicht werd dan zacht en zijn stem klonk anders. Het waren slechts korte momenten. Aan het eind van het schooljaar namen we afscheid en toen wij hem een paar maanden later opzochten in de net nieuwgebouwde school was hij zichtbaar geroerd. Zittend om een grote ronde tafel met een flinke pot thee in het midden, zei hij: 'Ik was altijd zo gek met jullie.'

 

 

De achterzijde van zijn huis keek uit over het Zwartewater...

Wordt vervolgd. 

dinsdag 13 oktober 2026

En plots is daar dat ene lied, opgenomen in de liturgie van die zondagmorgen. Dat lied dat mij moeiteloos terugvoert naar dat laatste jaar op de lagere school. En terwijl de gemeente zingt: 'Och, of wij uw geboôn volbrachten!', komt voor mij een rijzige figuur tot leven.

De vindplaats van het lied kon ik niet achterhalen. De bewuste liturgie was per abuis bij het oud papier terechtgekomen. Ik vroeg het aan een goede vriendin. 'Oh ja', zei ze, 'dat lied ken ik wel. Werd het niet altijd gezongen na de Tien Geboden?' We zaten achterin de tuin en toen ik haar even later vol overgave zag bladeren in een oud psalmboek, moest ik slikken. Hoeveel jaren was het al geleden dat ik dit boek had opengeslagen. De wortels, wist ik, je verliest ze nooit. Het eerste woord van het lied wist ik niet zeker en dan is zoeken lastig. We probeerden allerlei woordjes, toen sloeg de vriendin het psalmboek dicht. Met een: 'Ik vraag het aan mijn broer, hij is predikant en kent alle liederen', vertrok ze. Ook een collega met dezelfde achtergrond had weet van het lied. Ze zong de melodie moeiteloos. Ook zij kwam er niet uit. 'Mijn tante Anna kent alle psalmversjes uit het hoofd, zij weet het vast.' Ik was getroost, het geheim rond 'de geboôn zou snel opgelost worden. De dominee en tante Anna was ik echter niet meer nodig. Bij het opruimen van de boekenkast kwam een oud vergeten psalmboek tevoorschijn. Ik zocht bij Enige Gezangen. Bovenaan de bladzijde stond haast tergend: 'Och, of wij uw geboôn volbrachten!' Het was het laatste vers van Gezang I, de Tien Geboden des Heren.

We waren  een groepje van elf leerlingen en werden bijgewerkt door het hoofd van de school voor het vervolgonderwijs in de nabijgelegen stad. Hij had een mooi aristocratisch gezicht met kleine snor. Zijn haar was vroeg grijs, een scheiding deelde het in twee gelijke helften. Hij was altijd gekleed in een bruin krijtstreepkostuum, een horlogeketting bungelde losjes uit zijn vestzak. Zijn lijfspreuk was: 'Streng, maar rechtvaardig.' 'Ik zal ze', riep hij strijdlustig, 'daar in de grote stad wat laten zien. Ze zullen versteld staan van jullie kennis! En als ze dan vragen wie jullie dat allemaal heeft geleerd, moeten jullie zeggen: 'Dat hebben we geleerd van die boerenschoolmeester daar.' Hij glom bij de gedachte, die hele docentenkliek kon hem worden gestolen. We leerden alles over Indonesië, Australië, Nieuw-Zeeland, Zuid-Afrika en Zuid-Amerika. Daarna begonnen we aan het noordelijk halfrond. 



In één van deze huizen woonde hij...

Deel I, wordt vervolgd.

maandag 5 oktober 2026

 Dolf Jansen (cabaretier, schrijver en radiomaker) schreef vandaag een column, op het achterblad van 'Trouw', een column die regelrecht mijn hart doorboorde. Even nog heb ik gedacht zal ik die in twee afleveringen overnemen voor mijn blog? Nee, ik doe het niet in de hoop dat veel mensen de column van Jansen zullen lezen. Vooral al dat ene zinnetje van vluchtelinge Sara die als vurige wens zei: 'Ik wil een kamer hebben met muren en een plafond waar niemand mij kan horen huilen.' En daar alleen kun je al om huilen...

Een gebeurtenis uit mijn jeugd, die ik toen als snijdend heb ervaren en mij goed is bijgebleven. Het was in klas vijf. Meester vertelde dat hij veel mapjes had met postzegels voor verzamelaars en dat hij ons er blij mee wilde maken. Dat moesten we verdienen door op een soort 'knaplijstje' te komen. En dat lijstje was op het schoolbord te lezen. En had je dat op vrijdagmiddag aan het eind van de schoolweek gehaald, dan mocht je zo'n mapje uitzoeken. Ik dacht aan mijn broer die met hersenschudding op bed lag. Al dagen. Hij spaarde postzegels en mijn plan was binnen vijf minuten gemaakt: ik moest zien op dat lijstje te komen! Het lukte. De hele week werkte ik voorbeeldig of ik zat als een beeld roerloos met de armen over elkaar en droomde van de postzegels.Was ik niet om half twee die laatste middag naar school gehuppeld met de belofte aan mijn broer dat ik kwart voor vier terug was met de postzegels. Het liep heel anders. Die middag kregen wij meisjes van klas vijf handwerkles in een ander lokaal. Vriendin Janny was een rebelse leerling. Ook zij wist op dat 'knaplijstje' te komen maar die vrijdagmiddag liep ze even uit de bank en toen stuurde de handwerkjuf haar naar de gang. En laat nou meester dat ontdekken. Hoe? We zullen het nooit weten. Vlak voor het eind van de handwerkles ging ik drie stapjes uit de bank om op de torenklok te kijken naar de tijd. Oh wee, de juf stuurde me voor die laatste minuten nog naar de gang. We waren terug in ons lokaal en meester veegde met een enorme zwaai Janny van het 'knaplijstje'. We versteenden. Er werd in mijn binnenste een felle strijd gevoerd: de ene stem zei dat ik mijn korte verblijf op de gang moest melden, die andere stem zei, nee hoor je hebt er maar heel even gestaan. Wanneer ik het voorval zou vertellen kon mijn zieke broer naar de zegels fluiten. ik hoefde niet meer te kiezen. Janny greep me bij een arm en riep: 'Nu moet jij het ook zeggen dat je op de gang hebt gestaan', en ze duwde me al schreeuwend naar de meester toe. Ik had geen keuze meer en zei het haast timide. Meester reageerde dat hij het heel eerlijk van me vond maar ja... En daar verdween mijn naam, wreed door de borstel gewist. Er bleef een lege plek achter op het bord. Een zwarte glimmende plek. En toen moest ik naar huis. En nog weet ik hoe de weg voelde, eindeloos lang, tegelijkertijd te kort om het drama te verwerken. Bedremmeld stond ik voor het bed van mijn broer en vertelde hortend en stotend over het drama. Hij zweeg en zei even later: 'Wil je eens met deze kauwgum prop naar de hoek van de kamer lopen, dan kan ik zien hoe ver de draad is.' De volgende maandag stond ik al voor twaalven op het 'knaplijstje'. En ik hield vol en als beloning mocht ik vrijdagmiddag een mapje uitzoeken. Ik koos zegels uit Zuid-Afrika. Mijn broer was heel tevreden met mijn keuze, ik kreeg een paar kauwgummetjes van hem. Maar het blije van de vorige week kon ik niet meer opbrengen...

Ik woonde op een boerderij waar iedereen lawaai kon maken zonder dat anderen er last van hadden. Sara vraagt slechts om een kamer met muren en een plafond zodat ze ongezien kan huilen. Kinderleed...

 

  

Op weg naar school kwam ik altijd voorbij de plek waar de Dedemsvaart in de stadsgracht uitmondde. Ook toen, met die snijdende pijn, moet ik dat punt gepasseerd zijn...