VEERTIEN
NOODHELPERS IN STAFFELSTEIN (2)
De
bedevaartskerk Vierzehnheiligen heeft haar bestaan te danken aan veertien
noodhelpers. Als dank heeft de kerk de veertien gastvrij onderdak gegeven. Bedevaartgangers
leggen hum kommer en kwel royaal voor de versteende voeten van de helpers in
nood...
Vanuit
Bamberg rijdend naar Coburg passeer je Staffelstein. En iets voorbij
Staffelstein kun je kiezen tussen twee religieuze plekken van formaat. De weg
naar rechts voert naar Kloster Banz, een voormalig benedictijnerklooster
(1701), de weg naar links brengt je bij Kloster Vierzehnheiligen (1743). We
kiezen de weg naar links. Dit luisterrijke kloostercomplex heeft haar ontstaan
te danken aan een bijzondere legende. Op 17 september 1445 zag een schaapherder
een kind op de akker zitten. Toen hij het kind wilde opbeuren verdween het
eensklaps. Niet veel later verscheen het kind opnieuw. Ditmaal met aan iedere
zijde een brandende kaars. En net toen de schaapherder deze beide 'gezichten'
was vergeten, gebeurde er weer iets. Ditmaal stond het kind middenin een kring
van 14 andere kinderen. Toen de herder vroeg wie het kind was en wat het
precies wilde, was het antwoord: 'Wij zijn de 14 noodhelpers en wij willen
hier een kapel hebben. Wanneer u onze dienaar bent, zullen wij uw dienaar
zijn.' De abt van een nabij gelegen cisterciënzer klooster was geroerd en
stichtte op de plek van de laatste verschijning een altaar en later ook nog
eens een kapel (1456). Er weer een bedevaartsoord bijgekomen. Maar tijdens de
Boerenoorlog (1525) werd de kerk verwoest. De herbouw in 1743 en de toevoeging
van een proosdij in 1745 gaven deze religieuze plek hernieuwde glans. Cistercinzers
vertrokken, dominicanen namen hun intrek en nu zwaaien franciscanen hier de
scepter. De zoveelste restauratie was in 1990 klaar, maar nu mag de kerk van
Vierzehnheiligen zich met recht de mooiste kerk van Frankenland noemen.

Boven
de bomen priemen twee groenkoperen spitsen in bleekblauw, de torens van
Vierzehnheiligen. Een verlaten parkeerplek. De weg naar boven is steil, het
weer is drukkend. Twee fietsers zijn afgestapt en vorderen langzaam, een wandelaar
staat voortdurend stil en poetst zijn bezwete gezicht met een zakdoek droog.
'Hoe warm het was en hoe ver', een hoofdstuk uit de Camera Obscura van
Hildebrand lijkt hier toepasselijk. Halverwege passeren we een oude boomgaard
met schapen, een religieuze praat met een jong meisje in de schaduw van een
oude boom. Rust. En dan is daar de drukke, fantasierijke gevel van
Vierzehnheiligen, opgetrokken uit grote blokken okergeel steen omgeven door een
complete kermis van tentjes die om het hardst de devotialia aanprijzen. Rijen
Christussen aan het kruis bungelen hoog tegen het tentdoek, daaronder evenveel
wijwaterbakjes en rozenkransen voor iedere dag van het jaar. Kaarsen met
afbeeldingen, kaarsen zonder afbeeldingen. Sneeuwhuisjes, lepeltjes en mokken.
De kerk kijkt onbewogen toe.
Binnen
is het koel en komen de bezoekers op adem. Een franciscanes in lange
donkerblauwe mantel kijkt ons uitnodigend aan. Het is duizelen, uitbundige
rococo, biezen en krullen, pasteltinten en overdadig bladgoud. Hoge stucmarmeren
pilaren ondersteunen het gewelf waarop grootse fresco's de mens klein maken.
Biechthokjes in wit met blauwe krullen en gouden biezen. Bruder Claus heeft
bezoek, het gordijntje boven de deur van zijn hokje is neergelaten.
Op het
dakje zit een sierlijke engel met in de handen een schild met de woorden:
'Reinige mich von meinen Sünden', dat is hoopgevend voor de stouterik onder het
dak. Drie lege stoeltjes tegen de muur verwachten nog meer biechtlustigen. Op
de fraai bewerkte kerkbanken met dikke rose kussens zitten bezoekers in
eerbied of in gebed verzonken. Soms liggen ze achterover en vergapen zich aan
het gewelf. Onder de indruk van dit alles zak ik neer op het puntje van een
bank. Er is geen plekje onbenut gelaten in dit spektakel van opperste
vroomheid. De engelen vliegen me bijkans om de oren. Het meest heilige is
echter de met strenge touwen afgezette ovaalvormige ruimte middenin de kerk.
Hier staan de 14 noodhelpers opgesteld. Daar is Dioysius, de eerste bisschop
van Parijs. Hij werd in 250 na Christus op de Montmartre onthoofd.
Volgens het
verhaal heeft hij zijn afgeslagen hoofd zelf naar het graf gedragen. Bij
migraine kan hij helpen, maar ook voor een angstig geweten weet hij raad. De
heilige Katharina zit er ontspannen bij, terwijl ze toch ook het nodige achter
de rug heeft. Ze zou gefolterd worden op een rad met nagels beslagen, een engel
echter brak het rad. Maar ach, toen ging het later toch nog mis en werd ze
onthoofd met een speer. Ze is de patrones van de boekdrukkers, geleerden en
redenaars, maar is er ook voor hoofpijnlijders. En bij Erasmus zijn door een scheepschroef
alle ingewanden uit de buik verdwenen. Hij helpt zeelui, maar mag ook aangeroepen
worden bij buikpijnen en geboortes. Voor hem is er altijd werk. Naast de deur
die toegang geeft tot een kleine votief-kapel ligt een krant, waarop kwasten in
alle maten en grote en kleine blikken verf. Een schilder trekt behoedzaam
lijnen en vult met bedachtzame streken een klein vlak op. Ondertussen vertelt
hij dat hij deze schilderbeurt niet meer zal kunnen afmaken, hoewel hij zeker
nog 25 jaar werken voor de boeg heeft. De blijmoedigheid straalt van zijn
gezicht. In de schemerige votief-kapel hangt een bijzonder crucifix, doorboorde
handen en doorboorde voeten. Twee speren nemen de plaats in van het lichaam.
Votiefkaarsen langer dan menig volwassene. Een klein stukje rasterwerk uit
1989 is veelzeggend. Dankbaarheid alom. Nog net zie ik achter de deur van een
andere kapel een stel overbodige krukken, daarboven bungelen twee benen, glad,
glimmend en frivool.
Wanneer
we langs de onvermoeide handel in heiligheid de afdaling beginnen passeren we
drie grote overbezette terrassen. Onder zachtgele parasols drinken bezoekers
hun drankje en tonen elkaar hun aankopen. Ze vergelijken de prijzen en zijn al
het heilige gans vergeten...
