Overbrugd

Overbrugd

dinsdag 16 augustus 2016


VEERTIEN NOODHELPERS IN STAFFELSTEIN (2)

De bedevaartskerk Vierzehnheiligen heeft haar bestaan te danken aan veertien noodhelpers. Als dank heeft de kerk de veertien gastvrij onderdak gegeven. Bedevaartgangers leggen hum kommer en kwel royaal voor de versteende voeten van de helpers in nood...

Vanuit Bamberg rijdend naar Coburg passeer je Staffelstein. En iets voorbij Staffelstein kun je kiezen tussen twee religieuze plekken van formaat. De weg naar rechts voert naar Kloster Banz, een voormalig benedictijnerklooster (1701), de weg naar links brengt je bij Kloster Vierzehnheiligen (1743). We kiezen de weg naar links. Dit luisterrijke kloostercomplex heeft haar ontstaan te danken aan een bijzonde­re legende. Op 17 september 1445 zag een schaap­herder een kind op de akker zitten. Toen hij het kind wilde opbeuren ver­dween het eensklaps. Niet veel later verscheen het kind opnieuw. Ditmaal met aan iedere zijde een brandende kaars. En net toen de schaap­herder deze beide 'gezichten' was vergeten, gebeurde er weer iets. Ditmaal stond het kind middenin een kring van 14 andere kinderen. Toen de ­herder vroeg wie het kind was en wat het precies wilde, was het antwoord: 'Wij zijn de 14 noodhel­pers en wij willen hier een kapel hebben. Wanneer u onze dienaar bent, zullen wij uw dienaar zijn.' De abt van een nabij gelegen cisterciënzer klooster was geroerd en stichtte op de plek van de laatste verschij­ning een altaar en later ook nog eens een kapel (1456). Er weer een bedevaarts­oord bijge­komen. Maar tijdens de Boerenoorlog (1525) werd de kerk verwoest. De herbouw in 1743 en de toevoe­ging van een proosdij in 1745 gaven deze reli­gieuze plek hernieuwde glans. Cisterci­nzers vertrok­ken, dominica­nen namen hun intrek en nu zwaaien franciscanen hier de scepter. De zoveelste restaura­tie was in 1990 klaar, maar nu mag de kerk van Vierzehnheiligen zich met recht de mooiste kerk van Frankenland noemen.

 

Boven de bomen priemen twee groenkope­ren spitsen in bleekblauw, de torens van Vierzehnheiligen. Een verlaten parkeerplek. De weg naar boven is steil, het weer is druk­kend. Twee fietsers zijn afgestapt en vorderen langzaam, een wande­laar staat voortdurend stil en poetst zijn bezwete gezicht met een zakdoek droog. 'Hoe warm het was en hoe ver', een hoofdstuk uit de Camera Obscura van Hildebrand lijkt hier toepasselijk. Halverwege passeren we een oude boomgaard met schapen, een religieuze praat met een jong meisje in de scha­duw van een oude boom. Rust. En dan is daar de drukke, fantasierijke gevel van Vierzehnheiligen, opgetrokken uit grote blokken okergeel steen omgeven door een complete kermis van tentjes die om het hardst de devotialia aanprij­zen. Rijen Christussen aan het kruis bungelen hoog tegen het tent­doek, daaronder evenveel wijwa­terbak­jes en rozenkransen voor iedere dag van het jaar. Kaarsen met afbeeldingen, kaarsen zonder afbeeldingen. Sneeuw­huisjes, lepeltjes en mokken. De kerk kijkt onbewogen toe.  

Binnen is het koel en komen de bezoekers op adem. Een francisca­nes in lange donkerblauwe mantel kijkt ons uitnodigend aan. Het is duizelen, uitbun­dige rococo, biezen en krullen, pasteltin­ten en overdadig bladgoud. Hoge stucmar­meren pilaren ondersteunen het gewelf waarop grootse fresco's de mens klein maken. Biechthokjes in wit met blauwe krullen en gouden biezen. Bruder Claus heeft bezoek, het gordijntje boven de deur van zijn hokje is neergelaten.
 
Op het dakje zit een sierlijke engel met in de handen een schild met de woor­den: 'Reinige mich von meinen Sünden', dat is hoopgevend voor de stouterik onder het dak. Drie lege stoeltjes tegen de muur verwachten nog meer biecht­lusti­gen. Op de fraai bewerkte kerkban­ken met dikke rose kussens zitten bezoe­kers in eerbied of in gebed verzonken. Soms liggen ze achter­over en vergapen zich aan het gewelf. Onder de indruk van dit alles zak ik neer op het puntje van een bank. Er is geen plekje onbenut gelaten in dit spektakel van opperste vroomheid. De engelen vliegen me bijkans om de oren. Het meest heilige is echter de met strenge touwen afgezette ovaalvormige ruimte middenin de kerk. Hier staan de 14 noodhelpers opge­steld. Daar is Dioysius, de eerste bisschop van Parijs. Hij werd in 250 na Christus op de Montmartre onthoofd.
Volgens het verhaal heeft hij zijn afgeslagen hoofd zelf naar het graf gedragen. Bij migraine kan hij helpen, maar ook voor een angstig geweten weet hij raad. De heilige Katharina zit er ontspannen bij, terwijl ze toch ook het nodige achter de rug heeft. Ze zou gefolterd worden op een rad met nagels beslagen, een engel echter brak het rad. Maar ach, toen ging het later toch nog mis en werd ze onthoofd met een speer. Ze is de patrones van de boekdruk­kers, geleerden en redenaars, maar is er ook voor hoofpijnlijders. En bij Erasmus zijn door een scheepschroef alle ingewanden uit de buik verdwenen. Hij helpt zeelui, maar mag ook aangeroe­pen worden bij buikpijnen en geboor­tes. Voor hem is er altijd werk. Naast de deur die toegang geeft tot een kleine votief-kapel ligt een krant, waarop kwasten in alle maten en grote en kleine blikken verf. Een schilder trekt behoedzaam lijnen en vult met bedacht­zame streken een klein vlak op. Onder­tussen vertelt hij dat hij deze schilderbeurt niet meer zal kunnen afmaken, hoewel hij zeker nog 25 jaar werken voor de boeg heeft. De blijmoe­digheid straalt van zijn gezicht. In de schemerige votief-kapel hangt een bijzonder crucifix, door­boorde handen en doorboorde voeten. Twee speren nemen de plaats in van het lichaam. Votiefkaarsen langer dan menig volwas­sene. Een klein stukje rasterwerk uit 1989 is veelzeggend. Dankbaar­heid alom. Nog net zie ik achter de deur van een andere kapel een stel overbodi­ge krukken, daarboven bungelen twee benen, glad, glimmend en frivool. 
 


Wanneer we langs de onvermoeide handel in heiligheid de afdaling beginnen passeren we drie grote overbezette terrassen. Onder zachtgele parasols drinken bezoe­kers hun drankje en tonen elkaar hun aankopen. Ze vergelijken de prijzen en zijn al het heilige gans vergeten...