Overbrugd

Overbrugd

woensdag 3 augustus 2016


EEN W.G. VAN DE HULSTTAFEREEL IN GUGEL OP ZOEK (4)

Een ruïne en een bedevaartskerk, verbonden door een natuurpad. Twee brokken cultuur met ieder een eigen verhaal aan de uiteinden van een groen lint. Van Giechburg naar Gugel. Veelbelovend...

Van Bamberg naar Schesslitz is maar even, twee kilometer verder ligt de ruïne. Dat wordt ons vertrekpunt. Eigenlijk is de Giechburg een nep-ruïne. Ze is gebouwd op de plek van een echte ru­ne, kennelijk miste men het ver­trouwde boven op de heuvel. Fel zonlicht, windstil. Het laatste stuk weg naar de Giechburg is zeer steil. Een paar bezoekers zitten op een bank en wijzen elkaar op details in het in de diepte gelegen landschap. Een lappen­de­ken in verschil­lende tinten groen en geel, soms met donkergroene pluk­ken, waar doorheen de roodda­kige dorpjes voor de versiering zorgen. Menselij­ke fantasie en vernuft poetsen alle nepperigheid van de 'bouwval' weg. Holle doorkijkven­sters, trapjes op en trapjes af, vier uitkijktorens met woeste drakenkoppen, afgebrokkelde steen, wilde bloemen en bemoste muren. Een duif zoekt toenade­ring. Vandaag is alles gesloten maar op andere dagen kan de verwende toerist hier terecht voor een hapje en een drankje. En wil men een feest, ook dat is mogelijk, zo vertelt ons een informatie­bord. Naast het terras met plastic stoel­tjes en kapotte bierflesjes staat de 4255 jaar oude Mooreiche. Slechts de stronk is aanwezig, maar die wordt dan ook gekoesterd en trouw in de carboleum gezet. Het is nauwe­lijks te bevatten, maar het staat echt op het bordje: 4255 jaar. De precies­heid van het aantal jaren is komisch. Waarom niet gewoon: ruim 4000 jaar. Ook dat getal gaat boven ons denken. De duif hipt mee, vliegt dan plots weg, fraai zilver tegen diep blauw.

Het natuur­pad naar de Gugel begint aan de voet van de ruïne. De bodem is hier kalkhoudend, dat geeft fraaie plantengroei die op haar beurt weer bijzonde­re vlinders trekt. Hoge grassen, bonte bloemen, halfhoge struiken, oude bomen. Span­nende doorkijkjes met onverwachte vergezichten. Koeien in rood- en zwartbont liggen loom onder de bomen. Een koeienbel klingelt flauw­tjes. Verlatenheid. Het vage pad slingert verder, soms bruusk dalend door hobbelig weiland, dan weer snel rijzend. De spits van de bedevaarts­kerk komt naderbij. Op een open stuk staat een statie van de kruis­weg, de zesde, verweerd en met moeite te ontcijferen. We duiken het bos in, statie zeven ziet er beter uit. Het pad gaat nu in alle steilte recht op de kerk aan. Gedachten stilzetten, alleen maar klimmen. Naast de kerk is een huis en naast het huis hangt roerloos de was. Verhalen van W.G. van de Hulst komen bovendrijven, altijd een kerk met daarnaast een wapperende was aan de lijn. Een enorme hond rust in de schaduw van het huis, hij staat langzaam op en bekijkt ons doordringend. We nemen wat schichtig de trap aan de andere zijde van de kerk.
 
 
 Op een bordje staat te lezen dat op de trap niet met rijst mag worden gegooid bij trouwpartijen vanwe­ge mogelijke gladheid. Van hieruit is goed te zien dat het onderste deel van de kerk uit de rots rijst. We beklimmen de hoge trap, de deur is gesloten. En dat is spijtig, want het interieur moet de moeite waard zijn. We lopen rond de kerk onder brokken laaghangende rots door, staan dan voor een ongeziene zijdeur vlakbij de grote hond. 'Lourdes­grot 1891', staat op een bordje. Een snelle gang naar binnen. Kaarsen en bloemen, Maria in blauw bovenkleed wacht ons op. Ze heeft een krans elektrische lichtjes rond haar hoofd, op de muur achter haar is ze nog eens te zien. Vanaf een wolk kijkt ze in de diepte. Gedenkplaten van beide wereldoorlogen zijn aangebracht. En net als we ons teleurgesteld omdraaien zien we een bordje met een pijl 'Aufgang zur Kirche'. En dan wordt het spannend. Een smalle wentel­trap gaat in het halfduister naar boven, we zijn in hart van de grot. Uitgesle­ten treden, een nauwe gang met loslig­gende tegels. Halverwege de gang brandt een lamp. Hier staat een kruis zonder corpus met de woorden 'Es ist volbracht', achtergeble­ven pinnen lijken zich in mij te pinnen. In een ruime nis er tegenover is iets wits. Een laken ligt losjes teruggeslagen alsof juist iemand is opgestaan. Aan het eind van de gang is opnieuw een wenteltrap, nog een paar treetjes, dan staan we in het volle daglicht in de kerk. Uitbundige rococo, gestucte muren met bruin­rood kruis­ribgewelf.
 
 
De witte preekstoel met gouden ornamenten doet voor het orgel met gouden versierselen niet onder. Bijzonder is het beeld van de gekruisigde Christus. Hij is gekleed in een lange groene mantel met gouden noppen. Door de brede goudkleurige ceintuur wordt het een vorstelijk gewaad.
 
 Geen stekelige doornenkroon maar nu een sierlijke kroon. Dat maakt het lijden veel minder heftig. Volgens de informatie­folder is de kapel ge­bouwd tussen 1610 en 1618 op de fundering van een eerder kerkje. In 1984 vond een grondige restauratie plaats die 4 miljoen DM kostte. De stilte  wordt verstoord door een vette bromvlieg, die onbekommerd rondvliegt en op iedere heiligheid even uitrust. Engelen, ze zijn er in veelvoud en buitelen zelfs tussen de gele knolbegonia's door. Er is net een huwe­lijksviering ge­weest, aan de banken hangen nog frisse, kleine boeketjes in wit en rood, op het altaar staat een groot boeket in dezelfde kleuren. Stil worden in deze kerk... het zal niet lukken. Het oog blijft hier dwalen en als het oog niet tot rust komt, hoe moet dan het hart stil worden. We dalen af langs de smalle trap en staan nog even stil bij het half opengeslagen witte laken. Hier kan het oog rustig worden en het hart aan bod komen. De warmte buiten slaat als een deken om ons een. De hond is naar binnen geroepen. We dalen af.
 
 
Een boerin is bezig een stuk land af te rasteren in de brandende zon. Bloemen, vlin­ders, een kersen­boom. Halverwege draai ik me om en werp een laatste blik op de Gugel. Vóór ons wacht de Giechburg.