EEN
W.G. VAN DE HULSTTAFEREEL IN GUGEL OP ZOEK (4)
Een
ruïne en een bedevaartskerk, verbonden door een natuurpad. Twee brokken cultuur
met ieder een eigen verhaal aan de uiteinden van een groen lint. Van Giechburg
naar Gugel. Veelbelovend...
Van
Bamberg naar Schesslitz is maar even, twee kilometer verder ligt de ruïne. Dat
wordt ons vertrekpunt. Eigenlijk is de Giechburg een nep-ruïne. Ze is gebouwd
op de plek van een echte rune, kennelijk miste men het vertrouwde boven op de
heuvel. Fel zonlicht, windstil. Het laatste stuk weg naar de Giechburg is zeer
steil. Een paar bezoekers zitten op een bank en wijzen elkaar op details in het
in de diepte gelegen landschap. Een lappendeken in verschillende tinten
groen en geel, soms met donkergroene plukken, waar doorheen de rooddakige
dorpjes voor de versiering zorgen. Menselijke fantasie en vernuft poetsen alle
nepperigheid van de 'bouwval' weg. Holle doorkijkvensters, trapjes op en
trapjes af, vier uitkijktorens met woeste drakenkoppen, afgebrokkelde steen,
wilde bloemen en bemoste muren. Een duif zoekt toenadering. Vandaag is alles
gesloten maar op andere dagen kan de verwende toerist hier terecht voor een
hapje en een drankje. En wil men een feest, ook dat is mogelijk, zo vertelt ons
een informatiebord. Naast het terras met plastic stoeltjes en kapotte
bierflesjes staat de 4255 jaar oude Mooreiche. Slechts de stronk is aanwezig,
maar die wordt dan ook gekoesterd en trouw in de carboleum gezet. Het is nauwelijks
te bevatten, maar het staat echt op het bordje: 4255 jaar. De preciesheid van
het aantal jaren is komisch. Waarom niet gewoon: ruim 4000 jaar. Ook dat getal
gaat boven ons denken. De duif hipt mee, vliegt dan plots weg, fraai zilver
tegen diep blauw.
Het
natuurpad naar de Gugel begint aan de voet van de ruïne. De bodem is hier
kalkhoudend, dat geeft fraaie plantengroei die op haar beurt weer bijzondere
vlinders trekt. Hoge grassen, bonte bloemen, halfhoge struiken, oude bomen.
Spannende doorkijkjes met onverwachte vergezichten. Koeien in rood- en
zwartbont liggen loom onder de bomen. Een koeienbel klingelt flauwtjes.
Verlatenheid. Het vage pad slingert verder, soms bruusk dalend door hobbelig
weiland, dan weer snel rijzend. De spits van de bedevaartskerk komt naderbij.
Op een open stuk staat een statie van de kruisweg, de zesde, verweerd en met
moeite te ontcijferen. We duiken het bos in, statie zeven ziet er beter uit.
Het pad gaat nu in alle steilte recht op de kerk aan. Gedachten stilzetten,
alleen maar klimmen. Naast de kerk is een huis en naast het huis hangt roerloos
de was. Verhalen van W.G. van de Hulst komen bovendrijven, altijd een kerk met
daarnaast een wapperende was aan de lijn. Een enorme hond rust in de schaduw
van het huis, hij staat langzaam op en bekijkt ons doordringend. We nemen wat
schichtig de trap aan de andere zijde van de kerk.

Op een bordje staat te lezen
dat op de trap niet met rijst mag worden gegooid bij trouwpartijen vanwege
mogelijke gladheid. Van hieruit is goed te zien dat het onderste deel van de
kerk uit de rots rijst. We beklimmen de hoge trap, de deur is gesloten. En dat
is spijtig, want het interieur moet de moeite waard zijn. We lopen rond de kerk
onder brokken laaghangende rots door, staan dan voor een ongeziene zijdeur
vlakbij de grote hond. 'Lourdesgrot 1891', staat op een bordje. Een snelle
gang naar binnen. Kaarsen en bloemen, Maria in blauw bovenkleed wacht ons op.
Ze heeft een krans elektrische lichtjes rond haar hoofd, op de muur achter haar
is ze nog eens te zien. Vanaf een wolk kijkt ze in de diepte. Gedenkplaten van
beide wereldoorlogen zijn aangebracht. En net als we ons teleurgesteld
omdraaien zien we een bordje met een pijl 'Aufgang zur Kirche'. En dan wordt
het spannend. Een smalle wenteltrap gaat in het halfduister naar boven, we
zijn in hart van de grot. Uitgesleten treden, een nauwe gang met losliggende
tegels. Halverwege de gang brandt een lamp. Hier staat een kruis zonder corpus
met de woorden 'Es ist volbracht', achtergebleven pinnen lijken zich in mij te
pinnen. In een ruime nis er tegenover is iets wits. Een laken ligt losjes
teruggeslagen alsof juist iemand is opgestaan. Aan het eind van de gang is
opnieuw een wenteltrap, nog een paar treetjes, dan staan we in het volle
daglicht in de kerk. Uitbundige rococo, gestucte muren met bruinrood kruisribgewelf.
De witte preekstoel met gouden ornamenten doet voor het orgel met gouden
versierselen niet onder. Bijzonder is het beeld van de gekruisigde Christus.
Hij is gekleed in een lange groene mantel met gouden noppen. Door de brede goudkleurige
ceintuur wordt het een vorstelijk gewaad.
Geen stekelige doornenkroon maar nu
een sierlijke kroon. Dat maakt het lijden veel minder heftig. Volgens de
informatiefolder is de kapel gebouwd tussen 1610 en 1618 op de fundering van een eerder kerkje. In 1984 vond een grondige restauratie plaats die 4 miljoen
DM kostte. De stilte wordt verstoord door een vette bromvlieg, die onbekommerd
rondvliegt en op iedere heiligheid even uitrust. Engelen, ze zijn er in
veelvoud en buitelen zelfs tussen de gele knolbegonia's door. Er is net een
huwelijksviering geweest, aan de banken hangen nog frisse, kleine boeketjes
in wit en rood, op het altaar staat een groot boeket in dezelfde kleuren. Stil
worden in deze kerk... het zal niet lukken. Het oog blijft hier dwalen en als
het oog niet tot rust komt, hoe moet dan het hart stil worden. We dalen af
langs de smalle trap en staan nog even stil bij het half opengeslagen witte
laken. Hier kan het oog rustig worden en het hart aan bod komen. De warmte
buiten slaat als een deken om ons een. De hond is naar binnen geroepen. We
dalen af.
Een boerin is bezig een stuk land af te rasteren in de brandende zon.
Bloemen, vlinders, een kersenboom. Halverwege draai ik me om en werp een
laatste blik op de Gugel. Vóór ons wacht de Giechburg.
