Overbrugd

Overbrugd

maandag 3 oktober 2016


Beieren 3 

Na een paar dagen wandelen door het schitterende Beierse Woud kriebelt het verlangen naar cultuur. Vanuit Viechtach, onze logeerplek, lokt het zuidelijker gelegen benedictijnerklooster in Niederaltaich. Een bijzonder klooster: de monniken leven naar de Latijnse en de byzantijnse ritus.

In de 8e eeuw werd het klooster door Hertog Oddilo van Beieren gesticht voor de monniken uit Reichenau. Wel en wee werd meer dan 1000 jaar moedig doorstaan, echter in 1803 werd het klooster opgeheven. Een grote kerkbrand in 1813 nam ook delen van het complex mee van het voormalige klooster. Maar zie, de monniken van de benedictijner abdij Metten stichtten in 1918 een nieuw klooster en in 1953 vond een grote renovatie plaats. Het klooster in Niederaltaich ligt aan de voet van het Beierse Woud en aan de oever van de Donau en is een begrip.

Na een voorspoedige rit staan we voor het enorme kloostercomplex. Weldadige rust komt ons tegemoet. Beschroomd gaan we de kloosterkerk, tevens parochiekerk, Sint Mauritius binnen en stuiten meteen op een groot marmeren wijwaterbekken dat prachtig afsteekt tegen de sobere tegelvloer.
 
Het stucwerk is verrassend wit, het kerkinterieur straalt kracht uit. Van de oorspronkelijke gotische hallenkerk zijn alleen de buitenmuren overgebleven. Binnenmuren en interieur ademen 18e eeuwse barok. Veel beeldhouwwerk, fresco’s en ovaalvormige koepels sieren de zijschepen. Opvallend zijn de glazen schrijnen waarin heiligen uit de catacomben in Rome liggen te rusten. Ze zien er donker en perkamentachtig uit met overdadige versieringen, in de oogkassen zijn ‘oplichtende’ stenen aangebracht. Griezelend draaf ik langs de schrijnen maar ach ook het leven van Mauritius, op meerdere stukken verbeeld, maakt met de vele martelingen niet vrolijk. Bovenop het klankbord van de preekstoel ziet hij er beter uit. We wandelen naar het binnenplein, dat is omgeven door gebouwen. Een monnik komt ons tegemoet bij de ingang van het gastenhuis St. Pirmin en zegt dat dit gebouw toegankelijk is voor gasten en niet voor bezoekers. Hij vertelt dat dertig monniken, een paar zijn uitwonend in dit ‘dubbelklooster’, een bijdrage leveren aan het begrip tussen Christenen in Oost en West. ‘Oecumene is allereerst oecumenisch te leven binnen de gemeenschap, elkaar in alle verschillen te aanvaarden.’ Naast de inkomsten uit het gastenhuis zorgen de kloosterwinkel, de zelf gemaakte likeuren en het kloosterrestaurant voor inkomsten. Schuin tegenover het gastenhuis ligt de byzantijnse kerk Sint Nicolaas. In de voorhal kijken we door de ramen van de gesloten kerk naar de iconostasewand met de koningsdeuren. Heiligheid is voelbaar.
 
 
De kloosterwinkel is een feest der herkenning: heiligen, engelen, wijwaterbakjes, kaarsen, zeepjes, boeken, kaarten en likeuren. Twee spekstenen engeltjes mogen mee. Bij het vertrek kijken de twee identieke torens van de Sint Mauritius kijken ons na.

Ten westen van Niederaltaich ligt Straubing, een stadje dat veel heeft te bieden. Ons doel is de Sint Peterskerk met de drie laatgotische kapellen en het bijzondere kerkhof met meer dan 1000 grafmonumenten. Van ver zijn de torens van de 12e  eeuwse Romaanse kerk te zien. Een bemoste poort geeft toegang tot dit verstilde oord. Adembenemend mooi, kijken en vastleggen in nooit te wissen innerlijke beelden. We wandelen naar de Onze-Lieve-Vrouwekapel. Deze ruimte deed vroeger dienst als beenhuis, maar is nu gesloten. Mooi is de engel die tegen de buitenmuur leunt. Langs bijzondere grafstenen wandelen we naar de Agnes-Bernauer-Kapelle, het verhaal van dit arme burgermeisje is treurig. Agnes trouwde 1435 in het geheim met de zoon van hertog Ernst. De hertog vond het geen goede partij voor zijn zoon en liet haar opsluiten en vervolgens verdrinken in de Donau. Uit angst voor zijn zielerust liet de snoodaard als boete een kapel voor Agnes bouwen. Door het traliewerk zien we haar grafmonument waar Agnes in rood marmer is weergegeven. In haar rechterhand een rozenkrans als teken van eeuwig geloof, aan haar voeten zitten twee honden als symbool van trouw. De mooiste kapel is de derde, de Totenkapelle eind 15e eeuws. Vanuit deze ruimte werden de doden naar hun rustplek gedragen. Eind 18e eeuw werden wandschilderingen aangebracht. Het is in bochten wringen om door het traliewerk dit schoons goed te kunnen zien. Zo ontdekken we aan de oostzijde Adam en Eva, door hun toedoen werd de dood in het leven geroepen, aan de westzijde zien we de ‘Opstanding’ en het ‘Laatste Oordeel’. Prachtig zijn de omraamde voorstellingen waar de dood  als een spichtige vleesloze figuur ongenood binnenkomt.

Ook de Sint Peterskerk is afgesloten, een blik door de tralies laat een juweel van Romaanse bouwkunst zien. Even was er een kleine dwaling toen het interieur in de 18e eeuw in barokstijl werd veranderd. Maar een eeuw later was de kerk weer terug bij haar wortels: Romaans. Tweebeukig, een middenpad tussen strakke banken, in de verte een crucifix.
 
 
De begraafplaats toont een wereld van symboliek, van stijlen, van eeuwenoud gestold verdriet. Soms moet een mens zuchten bij zoveel schoonheid. Dan zie ik hem, Hij moet het zijn: Jezus.
 
 
Voorzichtig raak ik zijn kleed aan, net als die vrouw uit de bijbel. De duim van zijn ene hand is verdwenen, er ligt een steen in. Een groet van een Joodse gelovige: ik was er. Aan de rand van het kerkhof staat een knusse woning, een jonge vrouw werkt in de bloementuin. Zij en haar man ‘beheren’ het kerkhof en de gebouwen. ‘Het traliewerk is nodig vanwege vernielingen’, vertelt ze zuchtend.
Bij een glas wijn die avond maak ik de balans op. Oost-Beieren is prachtig wat natuur betreft. Maar ook de cultuur mag er wezen…