Beieren 3
Na een paar dagen wandelen door het schitterende Beierse
Woud kriebelt het verlangen naar cultuur. Vanuit Viechtach, onze logeerplek, lokt
het zuidelijker gelegen benedictijnerklooster in Niederaltaich. Een bijzonder
klooster: de monniken leven naar de Latijnse en de byzantijnse ritus.
In de 8e eeuw werd het klooster door Hertog
Oddilo van Beieren gesticht voor de monniken uit Reichenau. Wel en wee werd meer
dan 1000 jaar moedig doorstaan, echter in 1803 werd het klooster opgeheven. Een
grote kerkbrand in 1813 nam ook delen van het complex mee van het voormalige
klooster. Maar zie, de monniken van de benedictijner abdij Metten stichtten in
1918 een nieuw klooster en in 1953 vond een grote renovatie plaats. Het klooster
in Niederaltaich ligt aan de voet van het Beierse Woud en aan de oever van de
Donau en is een begrip.
Na een voorspoedige rit staan we voor het enorme
kloostercomplex. Weldadige rust komt ons tegemoet. Beschroomd gaan we de
kloosterkerk, tevens parochiekerk, Sint Mauritius binnen en stuiten meteen op
een groot marmeren wijwaterbekken dat prachtig afsteekt tegen de sobere
tegelvloer.
Het stucwerk is verrassend wit, het kerkinterieur straalt kracht
uit. Van de oorspronkelijke gotische hallenkerk zijn alleen de buitenmuren
overgebleven. Binnenmuren en interieur ademen 18e eeuwse barok. Veel
beeldhouwwerk, fresco’s en ovaalvormige koepels sieren de zijschepen. Opvallend
zijn de glazen schrijnen waarin heiligen uit de catacomben in Rome liggen te
rusten. Ze zien er donker en perkamentachtig uit met overdadige versieringen, in
de oogkassen zijn ‘oplichtende’ stenen aangebracht. Griezelend draaf ik langs
de schrijnen maar ach ook het leven van Mauritius, op meerdere stukken
verbeeld, maakt met de vele martelingen niet vrolijk. Bovenop het klankbord van
de preekstoel ziet hij er beter uit. We wandelen naar het binnenplein, dat is
omgeven door gebouwen. Een monnik komt ons tegemoet bij de ingang van het
gastenhuis St. Pirmin en zegt dat dit gebouw toegankelijk is voor gasten en niet
voor bezoekers. Hij vertelt dat dertig monniken, een paar zijn uitwonend in dit
‘dubbelklooster’, een bijdrage leveren aan het begrip tussen Christenen in Oost
en West. ‘Oecumene is allereerst oecumenisch te leven binnen de gemeenschap,
elkaar in alle verschillen te aanvaarden.’ Naast de inkomsten uit het
gastenhuis zorgen de kloosterwinkel, de zelf gemaakte likeuren en het kloosterrestaurant
voor inkomsten. Schuin tegenover het gastenhuis ligt de byzantijnse kerk Sint
Nicolaas. In de voorhal kijken we door de ramen van de gesloten kerk naar de
iconostasewand met de koningsdeuren. Heiligheid is voelbaar.
Ten westen van Niederaltaich ligt Straubing, een stadje dat
veel heeft te bieden. Ons doel is de Sint Peterskerk met de drie laatgotische
kapellen en het bijzondere kerkhof met meer dan 1000 grafmonumenten. Van ver
zijn de torens van de 12e eeuwse Romaanse kerk te zien. Een bemoste
poort geeft toegang tot dit verstilde oord. Adembenemend mooi, kijken en
vastleggen in nooit te wissen innerlijke beelden. We wandelen naar de
Onze-Lieve-Vrouwekapel. Deze ruimte deed vroeger dienst als beenhuis, maar is
nu gesloten. Mooi is de engel die tegen de buitenmuur leunt. Langs bijzondere
grafstenen wandelen we naar de Agnes-Bernauer-Kapelle, het verhaal van dit arme
burgermeisje is treurig. Agnes trouwde 1435 in het geheim met de zoon van
hertog Ernst. De hertog vond het geen goede partij voor zijn zoon en liet haar
opsluiten en vervolgens verdrinken in de Donau. Uit angst voor zijn zielerust
liet de snoodaard als boete een kapel voor Agnes bouwen. Door het traliewerk
zien we haar grafmonument waar Agnes in rood marmer is weergegeven. In haar
rechterhand een rozenkrans als teken van eeuwig geloof, aan haar voeten zitten
twee honden als symbool van trouw. De mooiste kapel is de derde, de
Totenkapelle eind 15e eeuws. Vanuit deze ruimte werden de doden naar
hun rustplek gedragen. Eind 18e eeuw werden wandschilderingen
aangebracht. Het is in bochten wringen om door het traliewerk dit schoons goed
te kunnen zien. Zo ontdekken we aan de oostzijde Adam en Eva, door hun toedoen
werd de dood in het leven geroepen, aan de westzijde zien we de ‘Opstanding’ en
het ‘Laatste Oordeel’. Prachtig zijn de omraamde voorstellingen waar de dood als een spichtige vleesloze figuur ongenood
binnenkomt.
Ook de Sint Peterskerk is afgesloten, een blik door de
tralies laat een juweel van Romaanse bouwkunst zien. Even was er een kleine
dwaling toen het interieur in de 18e eeuw in barokstijl werd
veranderd. Maar een eeuw later was de kerk weer terug bij haar wortels: Romaans.
Tweebeukig, een middenpad tussen strakke banken, in de verte een crucifix.
De
begraafplaats toont een wereld van symboliek, van stijlen, van eeuwenoud gestold
verdriet. Soms moet een mens zuchten bij zoveel schoonheid. Dan zie ik hem, Hij
moet het zijn: Jezus.
Voorzichtig raak ik zijn kleed aan, net als die vrouw uit
de bijbel. De duim van zijn ene hand is verdwenen, er ligt een steen in. Een
groet van een Joodse gelovige: ik was er. Aan de rand van het kerkhof staat een
knusse woning, een jonge vrouw werkt in de bloementuin. Zij en haar man
‘beheren’ het kerkhof en de gebouwen. ‘Het traliewerk is nodig vanwege
vernielingen’, vertelt ze zuchtend.
Bij een glas wijn die avond maak ik de balans op.
Oost-Beieren is prachtig wat natuur betreft. Maar ook de cultuur mag er wezen…