Overbrugd

Overbrugd

zondag 18 september 2016


Aphrodite, poëzie, onkruid 

Het is al twee dagen droog. Na de vele hoosbuien van de afgelopen weken voelt dat onwerkelijk. Triest neerhangende bloemen afgewisseld met triomfantelijk oprijzend onkruid vertellen samen het verhaal van water, veel water. Gewapend met gereedschap en nieuwe tuinklompen trek ik de tuin in. De zon steekt. Ik snel naar binnen, grijp de zonnehoed, spreek Abel toe die zeurend  langs mijn benen strijkt. Bij de sloot staat een woud van grillig onkruid. Tussen plukken gras van de onvoorspelbare  oeverrand lokt geheimzinnig het water. Twee kikkertjes plonsen de sloot in. Brandnetels, mini-wilgenroosjes, laten zich gemakkelijk pakken in tegenstelling tot beginnend riet. Fysieke arbeid en geestelijke reflexie gaan hand in hand. Aan de overzijde van de sloot wordt ik gadegeslagen door drie bruine kippen en een kloeke haan. ‘Kippen’, zegt mijn broer, ‘zijn dom, ze eten alles, zelfs hun dode soortgenoot.’ De haan kijkt priemend naar me, ik probeer een gesprekje dat bestaat uit tok-tok maar hij blijft respectloos staren. Help de zonnehoed, nog net niet in de sloot! Aphrodite wil er op passen.
 
 
Haar stenige gezicht lijkt zachter te worden, de hoed flatteert haar. Voor schoffelen is de aarde te nat, met een klein harkje wil het beter. Het brengt me dichter bij de wereld van torretjes, slakken en vette wormen. Eigenlijk is het alsof ik kijk naar één groot toneel, de diertjes lijken te veranderen in mensjes; druk, druk, druk. Een enorme slak met een gemarmerd grijs huis op de rug lijkt voort te glijden. Uit een naburige tuin murmelt gekeuvel en van ver klinkt een haan. In een flits schiet Saartje van de buren voorbij. We zijn geen vrienden want ze jaagt in mijn tuin. Het lastigste deel van de tuin is klaar, ik begin een gesprekje met Aphrodite. Haar gezicht gaat half schuil achter de hoed. Monet of Matisse zouden haar in een paar penseelstreken vast kunnen leggen. Aphrodite en ik zijn bevriend. In de winter zet ik haar een muts op of drapeer een sjaal om haar onbeweeglijke schouders. Met koffie en de bundel ‘Een tuinman is een dichter’ rust ik uit bij mijn stenen vriendin.  

Paul Geerts (1952) is een gepassioneerd tuinier en schrijft over tuinen en planten voor meerdere kranten en tijdschriften. Hij ging op zoek naar poëzie over tuinen, vond ze en bracht de gedichten bij een in een inspirerende bundel. ‘Moet je horen Aphrodite’, ‘roep ik verrukt’ en lees haar een gedicht  van J. Eijkelboom voor:

Nevelscheurend
kraait een haan
vanuit een onzichtbare tuin
achter vage huizen,
het rozerood van de dageraad
al in top.

In een andere tuin
voerde ik grootmoeders kippen
nadat een andere haan
mij had gewekt
op de donkere vliering
die geurde naar appels.

Ik hoor dit nu,
ik zie dat nog.
Het blijft bij me en
ik kan het niet vasthouden
al zou ik zelf
een kippenhok gaan bouwen
(ik zou dan trouwens

ter vervolmaking
die gedempte stinksloot
achter de tuin ook
opnieuw moeten graven).
 
Aphrodite en ik zijn het eens: mijn sloot ruikt niet. Maar de geur van appels op zolder brengt me terug bij mijn jeugd. De tuin ziet er beter uit na een halve morgen werken. Ontsnapt aan de waan van de dag, op adem gekomen in mijn eigen kleine wereld…