Aphrodite, poëzie, onkruid
Het is al
twee dagen droog. Na de vele hoosbuien van de afgelopen weken voelt dat
onwerkelijk. Triest neerhangende bloemen afgewisseld met triomfantelijk
oprijzend onkruid vertellen samen het verhaal van water, veel water. Gewapend
met gereedschap en nieuwe tuinklompen trek ik de tuin in. De zon steekt. Ik
snel naar binnen, grijp de zonnehoed, spreek Abel toe die zeurend langs mijn benen strijkt. Bij de sloot staat
een woud van grillig onkruid. Tussen plukken gras van de onvoorspelbare oeverrand lokt geheimzinnig het water. Twee
kikkertjes plonsen de sloot in. Brandnetels, mini-wilgenroosjes, laten zich
gemakkelijk pakken in tegenstelling tot beginnend riet. Fysieke arbeid en
geestelijke reflexie gaan hand in hand. Aan de overzijde van de sloot wordt ik
gadegeslagen door drie bruine kippen en een kloeke haan. ‘Kippen’, zegt mijn
broer, ‘zijn dom, ze eten alles, zelfs hun dode soortgenoot.’ De haan kijkt
priemend naar me, ik probeer een gesprekje dat bestaat uit tok-tok maar hij
blijft respectloos staren. Help de zonnehoed, nog net niet in de sloot!
Aphrodite wil er op passen.
Haar stenige gezicht lijkt zachter te worden, de
hoed flatteert haar. Voor schoffelen is de aarde te nat, met een klein harkje
wil het beter. Het brengt me dichter bij de wereld van torretjes, slakken en vette
wormen. Eigenlijk is het alsof ik kijk naar één groot toneel, de diertjes
lijken te veranderen in mensjes; druk, druk, druk. Een enorme slak met een
gemarmerd grijs huis op de rug lijkt voort te glijden. Uit een naburige tuin
murmelt gekeuvel en van ver klinkt een haan. In een flits schiet Saartje van de
buren voorbij. We zijn geen vrienden want ze jaagt in mijn tuin. Het lastigste
deel van de tuin is klaar, ik begin een gesprekje met Aphrodite. Haar gezicht
gaat half schuil achter de hoed. Monet of Matisse zouden haar in een paar
penseelstreken vast kunnen leggen. Aphrodite en ik zijn bevriend. In de winter
zet ik haar een muts op of drapeer een sjaal om haar onbeweeglijke schouders.
Met koffie en de bundel ‘Een tuinman is een dichter’ rust ik uit bij mijn
stenen vriendin.
Paul Geerts
(1952) is een gepassioneerd tuinier en schrijft over tuinen en planten voor
meerdere kranten en tijdschriften. Hij ging op zoek naar poëzie over tuinen, vond
ze en bracht de gedichten bij een in een inspirerende bundel. ‘Moet je horen
Aphrodite’, ‘roep ik verrukt’ en lees haar een gedicht van J. Eijkelboom voor:
Nevelscheurend
kraait een
haanvanuit een onzichtbare tuin
achter vage huizen,
het rozerood van de dageraad
al in top.
In een
andere tuin
voerde ik
grootmoeders kippennadat een andere haan
mij had gewekt
op de donkere vliering
die geurde naar appels.
Ik hoor dit
nu,
ik zie dat
nog.Het blijft bij me en
ik kan het niet vasthouden
al zou ik zelf
een kippenhok gaan bouwen
(ik zou dan trouwens
ter
vervolmaking
die gedempte
stinkslootachter de tuin ook
opnieuw moeten graven).
Aphrodite en ik zijn het eens: mijn sloot ruikt niet. Maar de geur van appels op zolder brengt me terug bij mijn jeugd. De tuin ziet er beter uit na een halve morgen werken. Ontsnapt aan de waan van de dag, op adem gekomen in mijn eigen kleine wereld…