Overbrugd

Overbrugd

woensdag 20 mei 2020

Ja toch, de coronaregels zijn iets versoepeld. We bewegen ons iets gemakkelijker, maar het blijft oppassen. Handen wassen, handen wassen, tot de vellen er bij hangen. Vanmorgen mondkapjes gekocht. Hooguit twee pakjes per persoon. Aan één pak heb ik genoeg. Zo te zien wordt hier flink aan verdiend. Vanmorgen een wesp in de kamer. Het gevaarlijke insect vloog al zoemend rond en Abel kreeg interesse. Ik zag een dierenarts in het verschiet, dus met de nieuwe krant geslagen en geslagen. De wesp gaf geen krimp en vloog rond totdat het beest door het open raam verdween.
Opnieuw een gedicht van Adama van Scheltema. Bij aandachtig lezen hoor je de regen vallen. Niets werkt zo rustgevend als regen. Ik kan enorm genieten van een bui, dan sta ik voor het raam en denk: 'Goed zo, lekker regen!' Ook donkere luchten werken kalmerend. Gewoon ondergaan.
Naast me op tafel ligt een legpuzzel van 1000 stukjes van Marius van Dokkum. Ooit bezocht ik het sfeervolle museum van hem in Harderwijk. Ik werp me nu op de fietsende dame in het rood, die woest de bocht neemt met uitgestoken arm, nagestaard door twee op een bankje rustende heren. Een moeilijke puzzel omdat de stukjes heel goed in elkaar passen, maar volgens het plaatje niet op de juist plek liggen. Heb nog wel even de tijd: de coronavirus is nog niet verbannen...




**********************************************************************************

Kindergedachten

 

Het regent - o wat regent het!
Ik hoor het uit mijn warme bed,
Ik hoor den regen zingen,-
Het regent, regent dat het giet -
Dat niemand daar nou iets van ziet,
Van al die donkre dingen!

Het ruist en regent en het spat -
Nou worden alle bomen nat
En plast het in de sloten,-
Het regent óver - óveral -!
O hé! - daar loopt het zeker al
Bij straaltjes uit de goten!

Wat is dat gek en leuk geluid!
Wat is dat lekker om dat uit
Je donker bed te horen: -
't Is of de regen samen praat,
Of dat een kerel buiten staat
Te fluistren aan je oren.

Nou druipt het in dat open gras -
Nou zal er wel een grote plas
Op alle wegen komen. -
Nou lopen nergens mensen meer -
Verbeel je eens in zo een weer -!
Daar wou ik wel van dromen.

En vroeg, morge' in den zonneschijn,
Als dan de blaadjes zilver zijn,
Met droppeltjes bepereld -
Dan doe ik toch mijn eigen zin: -
Dan loop ik héél - en héél ver in
Die schoongeworden wereld!

C.S. Adama van Scheltema
Uit: Domweg gelukkig in de Dapperstraat