Japanse sierkers (deel 2)
Bij zomerse dagen luisterde de boom mee naar onze koffiegesprekken, keek toe bij de avondmaaltijden en was met ons stil wanneer de tuin zich in het duister hulde en wij nagenoten van de laatste zomerse geuren en geluiden. In de herfst liet hij als laatste van de andere bomen zijn tooi vallen en mopperden we al blad ruimend op de overvloed. En begonnen de herfststormen, hij gaf geen kik: bij mist was hij tevreden met zijn kleine wereld. Maar bij rijp en sneeuw was hij er weer, zonnestralen deden hem schitteren in schoonheid. Toen de kettingzaag zweeg kwam ik voorzichtig tevoorschijn. Op de grond lagen drie leden van het bomengezin, één lid was overgebleven. Vader? Moeder? Misschien één van de kinderen? De kettingzaag deed het laatste moordende werk en toen werden de ingekorte delen op een aanhangwagen geladen en vertrokken ze naar het hoge noorden.
Plots moest ik denken aan het gedicht 'Sotto Voce' van de dichteres M. Vasalis:
Zoveel soorten van verdriet / ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden / En niet het snijden doet zo'n pijn, / maar het afgesneden zijn.
Troostend lei ik een hand op de overgebleven stam en streek er langs. Woordeloos beloofde ik koestering en lieve zorg. Er klonk een diepe zucht. Van hem, van mij? Misschien van ons beiden...