En plots is daar dat ene lied, opgenomen in de liturgie van die zondagmorgen. Dat lied dat mij moeiteloos terugvoert naar dat laatste jaar op de lagere school. En terwijl de gemeente zingt: 'Och, of wij uw geboôn volbrachten!', komt voor mij een rijzige figuur tot leven.
De vindplaats van het lied kon ik niet achterhalen. De bewuste liturgie was per abuis bij het oud papier terechtgekomen. Ik vroeg het aan een goede vriendin. 'Oh ja', zei ze, 'dat lied ken ik wel. Werd het niet altijd gezongen na de Tien Geboden?' We zaten achterin de tuin en toen ik haar even later vol overgave zag bladeren in een oud psalmboek, moest ik slikken. Hoeveel jaren was het al geleden dat ik dit boek had opengeslagen. De wortels, wist ik, je verliest ze nooit. Het eerste woord van het lied wist ik niet zeker en dan is zoeken lastig. We probeerden allerlei woordjes, toen sloeg de vriendin het psalmboek dicht. Met een: 'Ik vraag het aan mijn broer, hij is predikant en kent alle liederen', vertrok ze. Ook een collega met dezelfde achtergrond had weet van het lied. Ze zong de melodie moeiteloos. Ook zij kwam er niet uit. 'Mijn tante Anna kent alle psalmversjes uit het hoofd, zij weet het vast.' Ik was getroost, het geheim rond 'de geboôn zou snel opgelost worden. De dominee en tante Anna was ik echter niet meer nodig. Bij het opruimen van de boekenkast kwam een oud vergeten psalmboek tevoorschijn. Ik zocht bij Enige Gezangen. Bovenaan de bladzijde stond haast tergend: 'Och, of wij uw geboôn volbrachten!' Het was het laatste vers van Gezang I, de Tien Geboden des Heren.
We waren een groepje van elf leerlingen en werden bijgewerkt door het hoofd van de school voor het vervolgonderwijs in de nabijgelegen stad. Hij had een mooi aristocratisch gezicht met kleine snor. Zijn haar was vroeg grijs, een scheiding deelde het in twee gelijke helften. Hij was altijd gekleed in een bruin krijtstreepkostuum, een horlogeketting bungelde losjes uit zijn vestzak. Zijn lijfspreuk was: 'Streng, maar rechtvaardig.' 'Ik zal ze', riep hij strijdlustig, 'daar in de grote stad wat laten zien. Ze zullen versteld staan van jullie kennis! En als ze dan vragen wie jullie dat allemaal heeft geleerd, moeten jullie zeggen: 'Dat hebben we geleerd van die boerenschoolmeester daar.' Hij glom bij de gedachte, die hele docentenkliek kon hem worden gestolen. We leerden alles over Indonesië, Australië, Nieuw-Zeeland, Zuid-Afrika en Zuid-Amerika. Daarna begonnen we aan het noordelijk halfrond.
In één van deze huizen woonde hij...
Deel I, wordt vervolgd.
