Loof de
Heer!
Zo stond het
geschreven. In ferme witte letters op de leuning van een bank. Een uitroepteken
voegde extra kracht toe. Daaronder stond, hoewel zonder uitroepteken, maar ook
in hoofdletters: WANT HIJ IS GOED. Wie psalm 136 kent zal meerdere fouten ontdekken.
Op een
stralende zondagmorgen kwam ik op weg
naar de kerk deze ‘ode’ tegen. Doorgaans wordt deze bank in het Zoddepark benut
door jongeren. Ze zitten in een rijtje op de rugleuning, zodat er ook plaats is
voor een even grote rij op de daarvoor bestemde plek. Er heerst meestal een
opgewekte stemming. Soms zijn ze baldadig. Dan slopen ze de afvalbak naast de
bank, zodat alleen de achterwand nog aan de paal zit; het vuil ligt kwistig
uitgestald. Groet ik, dan krijg ik altijd een langgerekt ‘Hoooiii’ terug.
Eigenlijk zijn ze best aardig.
Op dit
vroege morgenuur sliep vermoedelijk de schilder alias schrijver zijn rozige
slaap, moe van zijn late zaterdagavondkarwei. Feit is dat bij hem het
traditionele psalmversje op de maandagmorgen niet verloren is gegaan. Blijft de
vraag: wat dreef hem om de aanhef van psalm 136 neer te kalken op een rustbank
in een park/ Kreeg hij tienen voor de geleerde versjes of moest hij ze voor
straf tien keer overschrijven na schooltijd?
Hingen de beginregels van de psalm ingelijst aan de muur in het
ouderlijk huis omdat het de trouwpsalm was van de ouders? Stonden de woorden
mogelijk op een grafsteen van lieve grootouders? Of was het jongmens lid van
een zangvereniging met die naam? Misschien gaat het helemaal niet om een
jongmens, maar een gerijpt persoon. Vol van de schoonheid van deze psalm en die
graag willen delen met anderen. Dan is het bedoeld als onverwacht cadeau voor
kerkgangers. Nog sterker: misschien was het de bedoeling twijfelaars een hart
onder de riem te steken! Wonderlijk was dat ik de woorden meenam naar de kerk.
Liederen waarin ons gezwoeg en pijn centraal stonden hadden geen vat op mij,
want de lovende woorden op de bank overstemden alles. Uiterst opgewekt kwam ik
thuis en ging breeduit voor de uit dertien verzen bestaande psalm 136 zitten.
Ze kwamen helder binnen op één na en dat was vers 12:
Looft den
Heer, die al wat leeft
dagelijks
zijn spijze geeft,die ons laaft en die ons voedt,
Eeuwig is Hij trouw en goed.
Op mijn
netvlies verschenen journaalbeelden van uitgemergelde handen, graaiend naar
alles wat eetbaar is. Een innerlijk stemmetje zei honend: ‘Ja, ja…. vers
twaalf!’ In een flits zag ik de Saint-Etienne in Waha (Belgische Ardennen). In
die kleine kerk stond het beeld van de gekruisigde Christus; de armen
ontbraken. ‘Je n’ai plus d’autres mains que les tiennes’ (Ik heb geen andere
handen dan de uwe). Later die dag maakte ik de gang door het park nogmaals. Dit
keer om de bank te fotograferen. En dat was slim, want de volgende dag was de
tekst verdwenen. Nijvere plantsoenarbeiders grepen in voordat op de overige
rustbanken alle dertien verzen werden geschilderd…