Overbrugd

Overbrugd

maandag 1 december 2014


Omgeven door engelen 

De dag begon argeloos. Even leek alles in evenwicht.
In de sereenheid van die morgen wandelde ik richting Kampen voor een paar boodschappen. Zag ik hem vallen? Of was hij al gevallen en probeerde hij op te staan om vervolgens weer neer te zakken. In een enkel ogenblik was ik bij de onbekende man en hielp hem voorzichtig overeind. Op mijn vraag of hij zich wel goed voelde, stamelde hij nauwelijks hoorbaar ‘nee’. Voetje voor voetje schuifelden we naar een nabije bank, hij leunde zwaar. Met een ‘rustig maar, u doet het prachtig, het komt allemaal goed’, bereikten we de zitplek; hij zakte krachteloos onderuit. Voorzichtig probeerde ik hem languit te laten liggen. Het lukte maar half. Ik verwenste mezelf omdat ik de mobiel niet bij me had. In de verte fietsten mensen onwetend voorbij. En dan opeens, die engel, ze leek gezonden. Ze was op weg naar de trein, haar blik ving ons, ze zag mijn armzwaar, hoorde mijn roep. De meneer reageerde zwak op onze vragen, zijn kleur was grauw. We belden 1-1-2. In luttele seconden schoot de klare ochtend voorbij, leek te hoonlachen: ‘In evenwicht?’ In afwachting trachtte ik het slachtoffer aan de praat te houden. Binnen vijf minuten stonden er drie agenten en twee ambulancemedewerkers om ons heen. De agenten vroegen naar de toedracht, de patiënt werd op een brancard gelegd en na een kortdurend onderzoek richting ziekenhuis gevoerd.  De hulpvaardige mevrouw ging naar de trein en ik wilde mijn weg vervolgen. Was ik bleek? Duizelig was ik zeker. ‘Wilt u slachtofferhulp?’, vroeg een agente bezorgd. ‘Hoeft niet, ik kan het verhaal wel kwijt aan een lieve buurvrouw’, zei ik onzeker. Maar op haar aandringen ging ik toch mee. Toen was ik niet in de Bank, het doel van mijn tocht, maar in een klein kamertje op het politiebureau, achter een bekertje koffie en hield het even niet droog. De agente was zorgzaam, leefde mee en tot slot kreeg ik een hand en bedankte ze me voor het kordate optreden. Maar ach, toen gebruikte ik de aardige juf van de bankbalie als ‘praatpaal’. Zij haalde een bekertje water; het ging weer. Bij de Vlaaienwinkel kocht ik een vlaai en begon aan de terugtocht,  nog vreemd licht in het hoofd. Uit een steegje schoot mijn goede vriendin Clarissa. ‘Kom zei ze resoluut, we gaan even koffie drinken, de vlaai mag vast hier wel in de koelkast.’ We stonden voor een banketbakker met uitnodigende zitjes voor een kopje koffie. De vlaai van de ene bakker bij de andere bakker in de koelkast schuiven? Iets verder vonden we een goede plek met zalige Kamper koffie en koeling voor de vlaai. Toen we opstonden was ik fit, maar bleek de vlaai zoek. Na veel gespeur werd het baksel teruggevonden.

Dingen gaan zoals ze gaan. De meneer kreeg hulp van mij, ik kreeg hulp van een aardige dame, gedrieën werden we geholpen door politie- en ambulancepersoneel. Opeens moest ik denken aan een ontroerende afbeelding in koperen reliëf in de Maria van Jesse kerk te Delft; omgeven door engelen…