Omgeven door engelen
De dag begon argeloos. Even leek alles in evenwicht.
In
de sereenheid van die morgen wandelde ik richting Kampen voor een paar
boodschappen. Zag ik hem vallen? Of was hij al gevallen en probeerde hij op te
staan om vervolgens weer neer te zakken. In een enkel ogenblik was ik bij de
onbekende man en hielp hem voorzichtig overeind. Op mijn vraag of hij zich wel
goed voelde, stamelde hij nauwelijks hoorbaar ‘nee’. Voetje voor voetje
schuifelden we naar een nabije bank, hij leunde zwaar. Met een ‘rustig maar, u
doet het prachtig, het komt allemaal goed’, bereikten we de zitplek; hij zakte
krachteloos onderuit. Voorzichtig probeerde ik hem languit te laten liggen. Het
lukte maar half. Ik verwenste mezelf omdat ik de mobiel niet bij me had. In de
verte fietsten mensen onwetend voorbij. En dan opeens, die engel, ze leek
gezonden. Ze was op weg naar de trein, haar blik ving ons, ze zag mijn
armzwaar, hoorde mijn roep. De meneer reageerde zwak op onze vragen, zijn kleur
was grauw. We belden 1-1-2. In luttele seconden schoot de klare ochtend
voorbij, leek te hoonlachen: ‘In evenwicht?’ In afwachting trachtte ik het
slachtoffer aan de praat te houden. Binnen vijf minuten stonden er drie agenten
en twee ambulancemedewerkers om ons heen. De agenten vroegen naar de toedracht,
de patiënt werd op een brancard gelegd en na een kortdurend onderzoek richting
ziekenhuis gevoerd. De hulpvaardige
mevrouw ging naar de trein en ik wilde mijn weg vervolgen. Was ik bleek? Duizelig
was ik zeker. ‘Wilt u slachtofferhulp?’, vroeg een agente bezorgd. ‘Hoeft niet,
ik kan het verhaal wel kwijt aan een lieve buurvrouw’, zei ik onzeker. Maar op
haar aandringen ging ik toch mee. Toen was ik niet in de Bank, het doel van
mijn tocht, maar in een klein kamertje op het politiebureau, achter een bekertje
koffie en hield het even niet droog. De agente was zorgzaam, leefde mee en tot
slot kreeg ik een hand en bedankte ze me voor het kordate optreden. Maar ach,
toen gebruikte ik de aardige juf van de bankbalie als ‘praatpaal’. Zij haalde
een bekertje water; het ging weer. Bij de Vlaaienwinkel kocht ik een vlaai en
begon aan de terugtocht, nog vreemd licht in het hoofd. Uit een steegje schoot mijn
goede vriendin Clarissa. ‘Kom zei ze resoluut, we gaan even koffie drinken, de
vlaai mag vast hier wel in de koelkast.’ We stonden voor een banketbakker met
uitnodigende zitjes voor een kopje koffie. De vlaai van de ene bakker bij de
andere bakker in de koelkast schuiven? Iets verder vonden we een goede plek met
zalige Kamper koffie en koeling voor de vlaai. Toen we opstonden was ik fit,
maar bleek de vlaai zoek. Na veel gespeur werd het baksel teruggevonden.
Dingen
gaan zoals ze gaan. De meneer kreeg hulp van mij, ik kreeg hulp van een aardige
dame, gedrieën werden we geholpen door politie- en ambulancepersoneel. Opeens
moest ik denken aan een ontroerende afbeelding in koperen reliëf in de Maria
van Jesse kerk te Delft; omgeven door engelen…