Bij de geur van koffie
Na
een volle werkdag zat in de tuin en droomde even weg.
Was
het de geur van vers gezette koffie, die op deze zoele zomeravond naar buiten
dreef en me deed herinneren? Of was het de luisterende stilte met op de
achtergrond vaag de zang van krekels? Eén van de twee bracht me terug naar mijn
jeugd. Haarscherp beleefde ik mijn logeerpartijen op de boerderij van mijn oom
en tante.
Zittend
achter op zijn fiets, in iedere fietstas een been, bracht mijn vader me. We
reden tussen de weilanden door over grauwgrijze asfaltpaden. Soms versperde een
groot, wit hek de doorgang, dan stapte ik af, opende het hek, klom weer
achterop en kon de tocht worden voortgezet.. De reis voerde, in mijn
kinderogen, naar een klein paradijs. Maar ook onderweg was de sfeer reeds te proeven. Wuivend gras,
zacht wiegende boomtoppen, een half verscholen pannendak van een eenzame
boerderij. Brede sloten, op het spiegelend vlak breeduit gevouwen waterlelies,
de eenzame roep van een weidevogel Het
was een rit van ruim een uur. En waren we gearriveerd dan liep ik argwanend
tussen woonhuis en schuur door naar de zijdeur, keek schuin omhoog naar het
rieten dak. Was alles nog wel als voorheen? Er leek niets veranderd. Behoedzaam
lichtte ik de koperen klink van de lage deur omhoog en stond in de grote keuken
waar het altijd schemerig leek te zijn. Bij het in ruitjes gedeelde raam stond
de ronde tafel met het donkerblauwe zeil, in de donkerste hoek het grote
fornuis onder de breed uitstekende schouw en tegen de schrootjeswand een
doorgezakte bank uit ver verleden. Even ook controleerde ik of het donkerrode,
fluwelen wandbord er nog hing, waarop in kunstige letters met gouddraad was geborduurd Vergeet geen van des Heeren
weldaden. Zag ik mijn tante niet direct, dan riep ik luidkeels haar naam.
Klein en tenger stond ze dan in haar gebloemde schort voor me, het haar strak
naar achteren getrokken, eindigend in een kleine wrong en ogen die twinkelden
achter de ronde brillenglazen. Dan viel ik in haar armen, even mijn hoofd tegen
haar borst leggen, even voelen dat ik gearriveerd was in het kleine paradijs.
Mijn ooms in hun blauwe kielen kwamen binnen voor het middagmaal, trokken
speels aan mijn vlechten. Dan schoven we rond de tafel en aten de goudgele
aardappels en flinterdunne boontjes uit eigen tuin. Van de slacht griezelde ik
en tante schoof het vetomrande vlees met een glimlach op haar eigen bord. Was
de maaltijd ten einde, dan stond ze op en nam van een plank boven het aanrecht
de bijbel met de geborduurde omslag. Op zangerige toon las ze een
bijbelgedeelte, wij kinderen moesten de laatste woorden nazeggen. Na het eten
kwam de afwaskom op tafel, tante haalde de afwasborstel en een vaatdoekje van
het bolvormige hegje naast de buitendeur, wij kinderen deden speels de afwas.
Op
warme dagen gingen we ’s middags ploeteren in een ondiepe plas midden tussen de
weilanden.
Na
de afwas brak het mooiste uur aan van de dag. Een grote groep kinderen
verzamelde zich tussen de hooiberg en schuur. Om in de stemming te komen
speelden we eerst tikkertje. Was ieder een beetje los gekomen dan ging het spel
over in verstoppertje. Hoeveel nieuwe plekjes waren er niet steeds weer te
bedenken?
We holden door de boomgaard, we holden langs wild kakelende kippen,
we slopen in de schemer door de verboden bloementuin van mijn oom en hoorden de
krekels in geheimzinnige zang.
Onder
het zachte lamplicht zaten mijn ooms. Ze lieten vol aandacht de koffie uit de
hoge geribbelde koppen lopen in de bijbehorende schotels en dronken het donkere
vocht zacht slurpend. Mijn tante schoof ons een beker toe waarvan de inhoud
voor het grootste gedeelte uit melk bestond. En zat ieder met de rug tegen de
stoelleuning, de mannen zaten met het gezicht naar de leuning, de benen
weerszijden van de stoelpoten. Weer hoor ik het zacht en tevreden gemurmel over
de voorbije dag. De oogst die rijp en vol wachtte om binnengehaald te worden,
de groentetuin die minder gaf dan voorheen, het varken van de buren dat een
ongekend aantal biggen had geworpen, de eierprijs die stabiel leek. Weer zie ik
het donkerblauwe zeil over de ronde tafel, weer proef ik de oudewijvenkoek,
weer raakt me de vertrouwelijkheid van mensen die in de beslotenheid van een
boerderijkeuken optrekken in vertrouwen en dankbaarheid vanwege het vele goede.
Zoals op dat fluwelen wandbord stond te lezen. En bij het verlangen dit verhaal
te vertellen, vallen vooral hun vertrouwen en dankbaarheid over me heen als een
zorgzame deken. En dat allemaal door dat ene moment in onze tuin bij de geur
van koffie…