Overbrugd

Overbrugd

maandag 20 april 2015


Bij de geur van koffie


Na een volle werkdag zat in de tuin en droomde even weg.
Was het de geur van vers gezette koffie, die op deze zoele zomeravond naar buiten dreef en me  deed herinneren?  Of was het de luisterende stilte met op de achtergrond vaag de zang van krekels? Eén van de twee bracht me terug naar mijn jeugd. Haarscherp beleefde ik mijn logeerpartijen op de boerderij van mijn oom en tante.

Zittend achter op zijn fiets, in iedere fietstas een been, bracht mijn vader me. We reden tussen de weilanden door over grauwgrijze asfaltpaden. Soms versperde een groot, wit hek de doorgang, dan stapte ik af, opende het hek, klom weer achterop en kon de tocht worden voortgezet.. De reis voerde, in mijn kinderogen, naar een klein paradijs. Maar ook onderweg was  de sfeer reeds te proeven. Wuivend gras, zacht wiegende boomtoppen, een half verscholen pannendak van een eenzame boerderij. Brede sloten, op het spiegelend vlak breeduit gevouwen waterlelies, de eenzame roep van een weidevogel  Het was een rit van ruim een uur. En waren we gearriveerd dan liep ik argwanend tussen woonhuis en schuur door naar de zijdeur, keek schuin omhoog naar het rieten dak. Was alles nog wel als voorheen? Er leek niets veranderd. Behoedzaam lichtte ik de koperen klink van de lage deur omhoog en stond in de grote keuken waar het altijd schemerig leek te zijn. Bij het in ruitjes gedeelde raam stond de ronde tafel met het donkerblauwe zeil, in de donkerste hoek het grote fornuis onder de breed uitstekende schouw en tegen de schrootjeswand een doorgezakte bank uit ver verleden. Even ook controleerde ik of het donkerrode, fluwelen wandbord er nog hing, waarop in kunstige letters met gouddraad  was geborduurd Vergeet geen van des Heeren weldaden. Zag ik mijn tante niet direct, dan riep ik luidkeels haar naam. Klein en tenger stond ze dan in haar gebloemde schort voor me, het haar strak naar achteren getrokken, eindigend in een kleine wrong en ogen die twinkelden achter de ronde brillenglazen. Dan viel ik in haar armen, even mijn hoofd tegen haar borst leggen, even voelen dat ik gearriveerd was in het kleine paradijs. Mijn ooms in hun blauwe kielen kwamen binnen voor het middagmaal, trokken speels aan mijn vlechten. Dan schoven we rond de tafel en aten de goudgele aardappels en flinterdunne boontjes uit eigen tuin. Van de slacht griezelde ik en tante schoof het vetomrande vlees met een glimlach op haar eigen bord. Was de maaltijd ten einde, dan stond ze op en nam van een plank boven het aanrecht de bijbel met de geborduurde omslag. Op zangerige toon las ze een bijbelgedeelte, wij kinderen moesten de laatste woorden nazeggen. Na het eten kwam de afwaskom op tafel, tante haalde de afwasborstel en een vaatdoekje van het bolvormige hegje naast de buitendeur, wij kinderen deden speels de afwas. 
 
Op warme dagen gingen we ’s middags ploeteren in een ondiepe plas midden tussen de weilanden.
Een wandeling van een half uur langs akkers met al rijpende gewassen, door botergele weilanden, over smalle loopplanken. De wind deed onze kleren zachtjes bollen. Soms legden we onze opgerolde handdoek met badpakje even ter zijde, hielden elkaar griezelend vast bij roestig schrikdraad en wachtten op de pijnlijke kreet van de laatste in de rij. Een kreet die nooit kwam. En dan eindelijk, spetterend en spattend in het kleine stukje water ronddrijven en kijken door helder water naar de zandige bodem. En nog weer later op de graskant liggen en turen naar de scherp omlijnde wolken, elkaar wijzend op ‘koppen en dieren’.
 
Was het niet Nijhoff,  die liggend naast zijn moeder, dezelfde dingen opmerkte en daar prachtige poëzie over schreef?
Bij thuiskomst aan het eind van de middag spoelde mijn tante al het zandrijke badgoed uit en hing het te drogen op het hegje. Wij schoven aan tafel, voor ieder lag er een stapel boterhammen klaar, gewoon op het tafelzeil. Mijn boterhammen lagen op een bordje. Nog voel ik daar over mijn ongelukkig zijn. Ik wilde bij hen horen, één van hen zijn.

Na de afwas brak het mooiste uur aan van de dag. Een grote groep kinderen verzamelde zich tussen de hooiberg en schuur. Om in de stemming te komen speelden we eerst tikkertje. Was ieder een beetje los gekomen dan ging het spel over in verstoppertje. Hoeveel nieuwe plekjes waren er niet steeds weer te bedenken?
We holden door de boomgaard, we holden langs wild kakelende kippen, we slopen in de schemer door de verboden bloementuin van mijn oom en hoorden de krekels in geheimzinnige zang.
 
De beginnende donkerte deed de spanning stijgen. En hadden we ons kookpunt bereikt dan riep tante ons kordaat binnen met een ‘Vooruit, naar binnen. Morgen is er weer een dag!’

Onder het zachte lamplicht zaten mijn ooms. Ze lieten vol aandacht de koffie uit de hoge geribbelde koppen lopen in de bijbehorende schotels en dronken het donkere vocht zacht slurpend. Mijn tante schoof ons een beker toe waarvan de inhoud voor het grootste gedeelte uit melk bestond. En zat ieder met de rug tegen de stoelleuning, de mannen zaten met het gezicht naar de leuning, de benen weerszijden van de stoelpoten. Weer hoor ik het zacht en tevreden gemurmel over de voorbije dag. De oogst die rijp en vol wachtte om binnengehaald te worden, de groentetuin die minder gaf dan voorheen, het varken van de buren dat een ongekend aantal biggen had geworpen, de eierprijs die stabiel leek. Weer zie ik het donkerblauwe zeil over de ronde tafel, weer proef ik de oudewijvenkoek, weer raakt me de vertrouwelijkheid van mensen die in de beslotenheid van een boerderijkeuken optrekken in vertrouwen en dankbaarheid vanwege het vele goede. Zoals op dat fluwelen wandbord stond te lezen. En bij het verlangen dit verhaal te vertellen, vallen vooral hun vertrouwen en dankbaarheid over me heen als een zorgzame deken. En dat allemaal door dat ene moment in onze tuin bij de geur van koffie…