De hechte zusterband
Op
de vroege zondagmorgen luister ik graag naar gewijde muziek. Af en toe hoor ik
een lied uit vroeger jaren, groot is dan mijn vreugde. ‘Rijst op, rijst op voor
Jezus’, zo zong een koor en meteen neuriede ik ‘Vormt meisjes nu tezamen, een
hechte zusterband’. Bijkans vergeten woorden van het Bondslied van de
meisjesvereniging Looft den Heere in
het dorp uit mijn jeugd.
De
beelden wisselden elkaar af. Twee leidsters hielden vijftien meisjes tussen de
twaalf en zestien jaar in bedwang op een naschools middaguur. Hun motivatie was
verschillend. Deed de één dit vrijwilligerswerk met een zekere tegenzin ter
voorbereiding op haar toekomstige taak als predikantsvrouw, de ander zag het
werk als werk voor de Heer en deed het met
grote toewijding. Aagje, zo heette de laatste, was begin veertig,
ongehuwd en woonde samen met haar moeder in een rustiek pand. Ze opende het
samenzijn met een bijbelverhaal, deze verhalen waren zeer naar onze tijd
toegeschreven. Namen van bekende bijbelse figuren werden niet gewijzigd, dat
zou te oneerbiedig zijn, maar de bijfiguren in de verhalen kregen eigentijdse
namen, deden zelfs eigentijdse dingen. Aagje was op een speciale manier mooi.
Haar kapsel bestond uit meerdere dikke rollen haar, die ze keurig in gelid vastprikte
op het hoofd. Soms zat er een netje
overheen, dan kon de wind er weinig aan bederven.
Na
het bijbelgedeelte werd de contributie geïnd. Haast vanzelf gleden we de pauze
in. Het breiwerk voor verre en vage oorden kwam op tafel. ‘Het is daar warm, wat
moeten die kindertjes met borstrokjes?’, zo vroeg ik me meermalen af.We zwaaiden af, het voortgezet onderwijs riep. Aagje kwam in het vergeetboek totdat ze op een kille zomermiddag opeens in onze huiskamer zat. De grijze regenjas maakte haar bleek, de strakgetrokken ceintuur liet zien dat ze smal was geworden. Ze had een vraag. ‘Binnenkort zou de meisjesvereniging een dagje uitgaan, maar nu bleek pas dat de bus maar slechts voor de helft was gevuld. Of wij als oud-leden geen zin hadden mee te gaan. Park Sonsbeek in Arnhem was het doel, er gingen broodjes mee en prik, het werd vast gezellig.’
Aarzelend stemde ik toe, ze straalde en verdween. Ik keek haar na. Op haar rug bewoog zacht de dichtgeknoopte capuchon….