Overbrugd

Overbrugd

dinsdag 5 mei 2015


 

Gedenkplaats Buchenwald 

Op 11 april is het 70 jaar geleden dat concentratiekamp Buchenwald werd bevrijd door de Amerikanen. Wie het voormalige kamp bezoekt zal na de verbijstering talloze vragen overhouden. Wat rest is stil worden, herdenken en blijven herdenken.

Onder de rook van Weimar, op de Ettersburg, werd in 1937 het concentratiekamp Buchenwald gebouwd. Was het aanvankelijk bedoeld als werk- en strafkamp, al gauw werd het een doorgangskamp en in 1942 werd het na de bouw van het crematorium een vernietigingskamp.
Elie Wiesel, Joods-Amerikaans schrijver over de Holocaust verbleef er evenals Willem Drees senior.
Ruim 55.000 mensen vonden hier de dood.
 
We verlaten Weimar en volgen de Ettersburger Strasse, die overgaat in de Blutstrasse. Deze weg is destijds aangelegd door gevangenen en voor een deel intact. Boven de bomen uit torent de enorme klokkentoren van de ‘Nationale Gedenkplaats Buchenwald’ als waarschuwing dat hetgeen is gebeurd niet nog eens zal gebeuren. Vanaf het crematorium loopt een pad naar beneden en vervolgens weer naar boven naar de klokkentoren als symbool van vrijheid en licht. We besluiten deze plek te bezoeken na de rondgang in Buchenwald.

 
De gids komt gehaast aanlopen, ze is verlaat en maakt excuses. Dan neemt ze ons mee naar de Carochoweg. ‘Als de gevangen waren aangekomen op station Buchenwald werden ze in hoog tempo langs deze weg gejaagd onder de tonen van marsmuziek. Zo werd er een eerste selectie gemaakt.’  Zijdelings wijst ze naar een paar rotsblokken, overblijfselen van een dierentuintje ter vermaak van SS-leden en hun gezinnen. In het poortgebouw zijn de cellen van gevangenen die werden gemarteld en vermoord.

Achter de geopende deuren enge ruimten waarin een foto, een kruis, een verhaal zonder woorden. Vlakbij ligt de appèlplaats. Iedere ochtend, iedere avond werden hier de gevangen geteld, in urenlang staan onder alle weersomstandigheden; soms ook geëxecuteerd. Wat verloren ligt in het midden de gedenksteen met een verlept boeketje. Op het terrein hierachter stonden de vele barakken. Ze werden in de jaren vijftig ontmanteld, maar hun locaties zijn door stenen gemarkeerd en de omtrek door middel van koperslak op de grond aangegeven. De vlakte is groot, is eenzaam maar zeer aanwezig.

Van de 22 wachttorens zijn er nog twee volledig intact. De gids gaat ons voor naar het crematorium.Ieder kent de verhalen, ieder kent de beelden bij eerdere bezoeken aan andere concentratiekampen, maar steeds weer komt het ongeloof naar boven. Het ongeloof waartoe een menselijk brein toe in staat is. Drie ovens, kaarsen, bloemen, eerbied in de onhandige letters op een eenvoudige kaart ‘In Gedenken alle Opfer.’

Hier is ook de pathologische afdeling. Ilse Koch, de vrouw van kampcommandant Karl Koch, was verzot op lampenkappen van mensenhuid waarop de tatoeages nog zichtbaar waren. Zag ze een gevangene met een interessante tatoeage, dan was zijn dood in aantocht. Ze reed te paard door het kamp, sloeg gevangenen met haar zweep en werd de ‘heks van Buchenwald’ genoemd. In de paardenstal vonden de nekschotexecuties plaats; omdat de stal er niet meer is heeft men deze installatie nagebouwd en in de ruimte van het crematorium geplaatst. De bewaker en de gevangene konden elkaar niet zien, maar via een knop werd de kogel op commando afgevuurd. We dalen af naar de lijk- en executiekelder. Haken aan de muren vertellen over deze hel zo dicht bij Weimar, de bakermat van de Duitse klassieken, de plek waar onsterfelijke melodieën voor het eerst gehoor vonden. De oude eik, door de gevangenen aangeduid als Goethe-eik, was een troostplek. In augustus 1944 werd de eik geveld door een vonkenregen na een bombardement op fabricagehallen. Maar de boomstronk bleef en wordt nu door bezoekers aangeraakt, soms in tranen. We wandelen verder, lezen de nummers van de verdwenen barakken en lezen in de informatie welke groep mensen hier werd ondergebracht.    
 

In het Depotgebouw is een permanente tentoonstelling ingericht over de geschiedenis van Buchenwald.
 
Vitrines met eetgerei, met schoenen, met persoonlijke bezittingen. Wie droeg de kampkleding met nr. 211? Er is geen antwoord. We kijken naar de film over de bevrijding van het kamp. Hoe de bewoners uit Weimar gedwongen werden te kijken, ontspannen keuvelend de poort doorgingen, en later met zakdoeken tegen mond en neus verdwaasd het kamp verlieten. Beelden die zich voor altijd op het netvlies hechten. Ontroerend is de groep silhouetten, die gestalte krijgt door de talloze foto’s van gevangenen, die de figuren opvullen.

 
Kunst, onverbrekelijk verbonden met Buchenwald, is er ook. Zo zien we de tekeningen van Henri Pieck, tweelingbroer van Anton Pieck. Hij maakte de schetsen tijdens zijn gevangenschap en werkte ze na de oorlog uit. Lang valt er te kijken naar ‘Pause’, hier leunen twee vermagerde gevangen tegen elkaar.
 

 
We verlaten het kamp. ‘Jedem das Seine’, de woorden zijn honend. Dan beginnen we de tocht van het crematorium naar de ‘Nationale Gedenkplaats Buchenwald’. Zwijgend…