Gedenkplaats Buchenwald
Op 11 april is het 70 jaar geleden dat concentratiekamp
Buchenwald werd bevrijd door de Amerikanen. Wie het voormalige kamp bezoekt zal
na de verbijstering talloze vragen overhouden. Wat rest is stil worden,
herdenken en blijven herdenken.
Onder de rook van Weimar, op de Ettersburg, werd in 1937 het
concentratiekamp Buchenwald gebouwd. Was het aanvankelijk bedoeld als werk- en
strafkamp, al gauw werd het een doorgangskamp en in 1942 werd het na de bouw
van het crematorium een vernietigingskamp.
Elie Wiesel, Joods-Amerikaans schrijver over de Holocaust
verbleef er evenals Willem Drees senior. Ruim 55.000 mensen vonden hier de dood.
We verlaten Weimar en volgen de Ettersburger Strasse, die overgaat
in de Blutstrasse. Deze weg is destijds aangelegd door gevangenen en voor een
deel intact. Boven de bomen uit torent de enorme klokkentoren van de ‘Nationale
Gedenkplaats Buchenwald’ als waarschuwing dat hetgeen is gebeurd niet nog eens
zal gebeuren. Vanaf het crematorium loopt een pad naar beneden en vervolgens
weer naar boven naar de klokkentoren als symbool van vrijheid en licht. We
besluiten deze plek te bezoeken na de rondgang in Buchenwald.
Hier is ook de pathologische afdeling. Ilse Koch, de vrouw
van kampcommandant Karl Koch, was verzot op lampenkappen van mensenhuid waarop de
tatoeages nog zichtbaar waren. Zag ze een gevangene met een interessante tatoeage,
dan was zijn dood in aantocht. Ze reed te paard door het kamp, sloeg gevangenen
met haar zweep en werd de ‘heks van Buchenwald’ genoemd. In de paardenstal
vonden de nekschotexecuties plaats; omdat de stal er niet meer is heeft men
deze installatie nagebouwd en in de ruimte van het crematorium geplaatst. De
bewaker en de gevangene konden elkaar niet zien, maar via een knop werd de
kogel op commando afgevuurd. We dalen af naar de lijk- en executiekelder. Haken
aan de muren vertellen over deze hel zo dicht bij Weimar, de bakermat van de
Duitse klassieken, de plek waar onsterfelijke melodieën voor het eerst gehoor
vonden. De oude eik, door de gevangenen aangeduid als Goethe-eik, was een
troostplek. In augustus 1944 werd de eik geveld door een vonkenregen na een
bombardement op fabricagehallen. Maar de boomstronk bleef en wordt nu door
bezoekers aangeraakt, soms in tranen. We wandelen verder, lezen de nummers van
de verdwenen barakken en lezen in de informatie welke groep mensen hier werd
ondergebracht.
In het Depotgebouw is een permanente tentoonstelling
ingericht over de geschiedenis van Buchenwald.
Vitrines met eetgerei, met
schoenen, met persoonlijke bezittingen. Wie droeg de kampkleding met nr. 211?
Er is geen antwoord. We kijken naar de film over de bevrijding van het kamp.
Hoe de bewoners uit Weimar gedwongen werden te kijken, ontspannen keuvelend de
poort doorgingen, en later met zakdoeken tegen mond en neus verdwaasd het kamp
verlieten. Beelden die zich voor altijd op het netvlies hechten. Ontroerend is
de groep silhouetten, die gestalte krijgt door de talloze foto’s van
gevangenen, die de figuren opvullen.