Overbrugd

Overbrugd

donderdag 14 mei 2020


Soms is het leven verdraaid ingewikkeld en dat moet de hoofdpersoon van het hieronder staande gedicht ook zo hebben gevoeld. Maar Piet Paaltjens geeft er een humoristische draai aan, daardoor is het toch met een zekere nieuwsgierigheid te lezen. En daarna? Dat mag ieder voor zichzelf bepalen.
De meeste mensen kennen de naam Piet Paaltjens wel, maar wie was hij eigenlijk? Zijn echte naam was François Haverschmidt, hij leefde van 1835 tot 1893. Al van jongsaf had hij last van depressiviteit.
Hij studeerde theologie en werd vervolgens in Foudgum en Raard, Den Helder en Schiedam predikant. Op een bruiloft van een vriend kwam hij Maria Osti tegen en trouwde met haar in 1863. Zij overleed in 1891, daarna ging het bergafwaarts met François Haverschmidt, alias Piet Paaltjens. In 1893 hing hij zichzelf op; niet aan een dikke eikentak, maar in de bedstee. En wie deze dichter wil bekijken, wel in Leeuwarden en in Leiden staat er een mooi beeld van hem...

Vandaag: Rotterdam herdenkt het bombardement van 14 mei 1940.

Trouw meldt: Op de intensive care is het zwarte scenario ver weg. Op 7 april lagen er 1424 covid-patiënten op de IC. Op 13 mei zijn dat 432 patiënten!

Verwarring rond de coronaregels vanwege onduidelijkheid.




***********************************************************************************

De zelfmoordenaar

 

In het diepst van het woud
- 't Was al herfst en erg koud  -
Liep een heer in zijn eentje te dwalen.
Och, zijn oog zag zo dof!
En zijn goed zat zo slof!
En hij tandknerste, als was hij aan 't malen.

'Ha!'dus riep hij verwoed,
'k Heb een adder gebroed,
Neen, erger, een draak aan mijn borst hier!'
En hij sloeg op zijn jas;
En hij trapte in een plas;
't Spattend slik had zijn boordjes bemorst schier.

En meteen zocht zijn blik
Naar een eiketak, dik
Genoeg om zijn lichaam te torsen.
Daarna haalde hij een strop
Uit zijn zak, hing zich op,
En toen kon hij zich niet meer bemorsen.

Het werd stil in het woud
En wel tienmaal zo koud,
Want de wintertijd kwam. En intussen
Hing hij maar steeds aan zijn tak,
Op zijn dode gemak,
Die mijnheer, tot verbazing der mussen.

En de winter vlood heen.
Want de lente verscheen,
Om opnieuw voor den zomer te wijken.
Toen dan zwierf - 't was erg warm -
Er een paar arm in arm
Door het woud. Maar wat stond dát te kijken!

Want, terwijl het, zo zacht
Kozend, voortliep en dacht:
Hier onder deez' eik is 't goed vrijen
Kwam een laars van den man,
Die daarboven hing, van
Zijn reeds langverteerd linkerbeen glijen.

'Al mijn leven! van waar
Komt die laars? riep het paar,
En werktuigelijk keek het naar boven.
En daar zag het met schrik
Dien mijnheer, eens zo dik
En nu tot een geraamte afgekloven.

Op zijn grijnzenden kop
Stond zijn hoed nog rechtop.
Maar de rand was er af. Al zijn linnen
Was gerafeld en grauw.
Door een gat in zijn mouw
Blikten mieren en wurmen en spinnen.

Zijn horloge stond stil,
En één glas van zijn bril
Was kapot en het ander beslagen.
Op den rand van zijn zak
Van zijn vest zat een slak,
Een erg slijmerige slak, stil te knagen.

In een wip was de lust
Om te vrijen geblust
Bij het paar. Zelfs geen woord dorst te spreken.
't Zag van schrik, zó spierwit
Als een laken, wen dit
Reeds een dag op het gras ligt te bleken.

Piet  Paaltjens
Uit: Domweg gelukkig in de Dapperstraat