Overbrugd

Overbrugd

donderdag 28 juli 2016


In de Bourgogne 

De stilte van de Karmel bij Mazille  (1)

Een dag van opgenomen worden in de verkeersstroom. Wereld van snelheid, blinkend metaal, uitlaatgassen, ononderbroken geraas. Plakkerige warmte.
De onverwachte ontmoeting met een goede vriend biedt de mogelijkheid een moment te vertoeven in een wereld zo anders. Een wereld waarin contem­platie de voeding is voor een dienend en beschouwend leven in stilte.  

Moe en verreisd kijken we onwennig rond op de verzorgde camping van Cluny, een kleine stad in de Bourgogne. We zoeken een verblijfplaats in de scha­duw, maar die is hier nauwelijks te vinden. Net wanneer we besluiten toch maar de plek met een dun-bladige berk voor lief nemen klinkt een bekende stem. 'Konden jullie het vinden?' Het weerzien is onverwacht en blij. Elkaar te treffen zo ver van huis is daarbij wonderlijk.

 
Uitpakken. Wat sjouwt een mens allemaal mee voor een paar weken weg. We kunnen niet zonder dit, we kunnen niet zonder dat. Snel en ordentelijk opruimen is een gave die maar weinigen bezitten. De chaos lijkt alleen maar groter te worden. 'Over een uurtje ga ik naar de vesper bij de zusters van de Carmel, als je zin hebt...' Tussen alle rommel door kijkt de goede bekende en maakt een vage handbewe­ging in de ruimte. Het is een heerlijk aanbod maar twijfel komt boven. Op adem komen in een klooster of solidair zijn en de woonplek helpen inrichten. 'Een prachtkans', zeggen de ande­ren, 'dat moet je zeker doen. Wij redden ons best.'

In fraai namiddaglicht rijden we even later richting Mazille. Enkele kilometers ten noordoosten van dit dorp ligt het Convent de Carmélite. Het is een land­schap van verstilde schoon­heid waarin primitieve Romaanse platte­lands­kerkjes het hart sneller doen kloppen.
Mijn gastheer voor even kent het gebied bij uitstek, wijst aan, stopt af en toe bij iets moois en vertelt ondertus­sen in het kort de geschiedenis van de karmelie­tenorde. 'In de 12e ontstond deze orde van kluizenaars-in-gemeen­schap. Ze leefden naar het voorbeeld van Elia op de berg Karmel. De mannelij­ke tak behoorde tot de bedelordes, dit in tegenstel­ling tot de in de 15e eeuw ge­stichte karmelietessenor­de, die zuiver contemplatief was. Grote hervor­mer voor de vrouwelijke tak was Theresia van Avila (1515 - 1582). Ze stichtte in 1562 een nieuw klooster in de stad Avila. De bisschop kwam kijken en was verrukt over het verstandige bestuur van dit klooster. Theresia kreeg volmacht meer kloosters met dezelfde opzet te stichten. Ze maakte gebed, stilte, eenzaamheid en boetedoening tot de vier pilaren van haar geestelijk bouwwerk. Tijdens haar leven al ontstonden er 16 karmelietes­sen­kloosters van de door haar hervormde orde.'

We zijn haast ongemerkt bij het doel van de rit aangekomen. In de berm een onopval­lend bordje met een pijl: CARMEL. Auto parkeren, uitstappen, een duik in de stilte. Halfhoge gestapelde ruw-stenen muurtjes omzomen de paden. Lommer­rijke grasvelden, een karak­ter­istieke boerderij. Onder eeuwenoude bomen wat verloren een witte klap­stoel. Een omgeving waar je een Franse familie in kunt plaatsen zittend aan een lange tafel, de wijn genietend in zorgeloos samenzijn.

 
De zusters karmeli­etessen, zo hoor ik, voor­zien in eigen onderhoud. Ze leven van de opbrengst van de boerderij. Verdere inkomsten zijn de boekbinderij en het gastenverblijf. Het klooster­complex zelf is opgetrokken uit beton. De schil­der­achtige omgeving verzacht de hardheid van het materiaal. Boven de eenvoudi­ge strakke hoofdin­gang zijn de woorden NOUS AVONS CONNU L'AMOUR ET NOUS Y AVONS CRU - ST. JEAN moeilijk leesbaar. Ze staan voor 'Wij hebben de liefde gekend en wij hebben er in geloofd - St. Jan'. Bakken met bloeiende geraniums fleuren de grijsheid op.
 
 
Even daar­naast ligt de kapel. Openslaande deuren maken het mogelijk de tuin zonodig te betrekken in een viering. In de kleine strakke toren is het silhouet van een klok zichtbaar. Bovenaan de trap staand nemen we de verstilling beneden ons op.
 
 
Dan dalen we af en betreden de kapel. Ruimte en rust, eerste indrukken. Strakke lichte wanden. Het rood en blauw van de twee glas-in-lood ramen achter het altaar maken dat de muur leeft. Een eenvoudig crucifix en een eenvoudig orgel. Twee in halve cirkels geplaatste biezen krukken doen vermoe­den dat er heel wat zusters zijn. Tegen de muur zorgvuldig geschikte knielkussen in spreken­de kleuren. Op een fijn-bloemig beschreven vel naast de deur staat de orde van deze dienst vermeld. Nog juist om de hoek is een gedeelte van de stilteplek te zien, bloemen, kaarsen en een icoon met de Moeder Gods. Voor het mooiste echter moet ik het hoofd in de nek leggen: het is een glazen koepel van het teerste blauw. De kapel lijkt in directe verbinding te staan met de hemel, lijkt de stilte door te geven. In de stilte valt de stilte horen... 

Ze komen twee aan twee in een lange rij vanuit de ruimte onder de kapel. In de gauwig­heid tel ik zeker dertig zusters. Het is alsof ze uit de vloer oprijzen. Bruin habijt, bruine sluier, witte koormantel, merendeels verwon­derlijk jong. Ze schuiven geruisloos op de stoelen vlak voor ons en dan komt hun zang, zuiver en schoon. Vanach­ter de lezenaar doet de abdis de eerste lezing. Ze lijkt streng. Opnieuw zang, nu tweestem­mig. Dan volgt een lezing door een jonge zuster vanaf haar zitplaats. De zachte ronding van haar gelaat wordt voor altijd op het netvlies vastge­legd. Een kleine haarkrul kruipt speels onder de sluier uit. Ik heb moeite met deze jongheid. Is alles gezien, is alles door­dacht? Moet een mens voor deze zware beslissing niet veel meer tijd vragen? Ik kijk naar de ranke ruggen vlak voor me. De koor­mantel heeft bij ieder op dezelfde plaats een scherpe vouw. Orde en discipline, natuur­lijk. Maar krijgen deze jonge lijven wel alles aan voeding, aan sport, aan ontspan­ning? Gedach­ten die tijdens de gebeden nabroeien. Dan volgt de stille aanbidding. Vanuit geknielde houding buigen de zusters zich diep voorover. Het lijkt een eeuwig­heid. Wanneer we de kapel verlaten liggen nog drie zusters geknield.

De natuur voegt zich naar ons, in stil afwachten. Het is alsof ze onze verwon­de­ring en ons respect voor de keuze van deze jonge vrou­wen deelt. 
In de gouden gloed van de laagstaande zon rijden we terug. Een wandelaar, spelende kinderen bij een boerenhuis, fietsers, een paard onder de boom, alledaagse beelden. Om ons heen hangt nog de niet alledaagse zang. Zang tussen hemel en aarde...