Overbrugd

Overbrugd

maandag 1 augustus 2016


EEN STILTEPLEK IN FEESTGEDRUIS (6) 

In het feestgedruis is een stilteplek, in de stilteplek is een nog stillere plek. Van pret en jolijt, naar bezinning, naar inkeer...

Daar waar de Wiesent uitmondt in de Regnitz ligt Forchheim. Het stadje is voortgekomen uit een Frankische vestiging in de 6e eeuw. Drie eeuwen later werd Forchheim koningshof en nog weer later mocht het zich een keizerlijke burcht noemen. Na 1300 breidde de stad zich sterk uit, maar wist haar middel­eeuwse karakter goed te bewaren en is anno 2003 een zeer bekoorlijke plaats.
Vandaag is het feest. Het grote door vakwerkhuizen omzoomde plein staat vol banken. Tegen de fraaie gevels hebben zich niet alleen orkestjes opgesteld, maar ook tentjes met patat, braadworst en ijs in kleurige soorten. Op de rommelmarkt is het op deze frisse zaterdagochtend al gezellig druk.
Slechts een paar steegjes zijn er te gaan tussen dit feestrumoer en de paro­chiekerk St. Martin. De kerk dateert uit de 14e eeuw en is opgetrokken uit grote vierkan­te zandsteenblokken. De oudste delen zijn romaans, het grootste deel van het bouwwerk is echter gotisch. In 1670 werd daar nog eens een barokke toren aan toegevoegd als opperste lofprijzing. 



Bij binnenkomst valt de fraaie lichtinval op en een sterke geur van wierook. De stilte wordt slechts onder­broken door de zwak echoënde stem van een gids. Zijn gehoor bestrijkt de eerste drie banken, de hoofden draaien beurtelings van links naar rechts en dan naar boven. Tegen de strakke pilaren leunen onbewo­gen de twaalf discipe­len in goud en wit. Boven dit alles welft zich het plafond in witgrijs met teergele vlakken. In de zijgangen en het koorgedeelte zet zich hetzelfde geel voort in een speels patroon tussen de kruisboogribben en daardoor oogt deze kerk zonnig. Maria-altaar, St. Anna-altaar, St. Jozef-altaar, St. Lauren­tius-altaar... het duizelt. Maar het apostel-altaar is herken­baar, en ja ze zijn er alle twaalf in miniatuur, zittend of staand en merendeels goed herken­baar. Het hoogaltaar is opgetrokken uit roze en groene marmer­stuc, veel goud, veel engelen en prachtige schilderingen.



De preekstoel is een plaatje in oudroze, groen en goud. Hebreën 4, 12 lees ik van opzij. Engelen spelen hun spel tussen de vier strenge kerkle­raren op de consoles. Vanaf het dak van de preek­stoel zegent St. Martinus onafgebro­ken ieder die naar hem kijkt. Iets verder is een zandstenen doopvont versierd met kinder­kop­jes en kransen. Op de deksel staat een verwelkt boeket. Tegen de muur boven het vont zijn twee bronzen mensfiguren te zien, één doopt, de ander wordt gedoopt. Johannes en Jezus, de Jordaan. Hun hoofden worden omgeven door een stralen­krans. Misschien is die krans er ook toen geweest, onzichtbaar. Bij een doop op deze plek worden er steeds weer twee gedoopt, de dopeling en Jezus.






















Een meisje en een jongen komen vanuit de zijdeur van het koor. Het meisje draagt een grote vaas met bloemen en zet deze voor het altaar op de grond, bekijkt vervolgens de verwelkte bloemen nauwgezet. Ze trekt er een nog fris decoratief blad tussenuit en legt het behoedzaam op de rand van het altaar. De jongen haakt de koorden van de koorruimte los, loopt naar achte­ren, komt terug met een bonkende container. En dan krijgen de twee haast, met achte­lo­ze zwaaien worden alle boeketten in de grijze diepte gemikt, ook die op het doopvont. Het meisje ver­dwijnt door de zijdeur met in haar hand het geredde blad, de jongen duwt de afvalbak in vaart tussen de kerkban­ken door naar bui­ten. De gids heeft intussen zijn werk gedaan, een paar toeris­ten lopen nog rond. Stilte. We dwalen verder en staan dan voor een indrukwekkend houten re­liëf (1515 -1518) boven de strakke koorban­ken.


Daarop is het afscheid te zien van Jezus en Maria. Het is ge­schon­ken door Hans Braun ter nagedachte­nis aan zijn vrouw Barbara. Alleen de kleuren zijn al een waar feest, alle schake­ringen tussen rozerood en blauw­paars zijn weergegeven. Christus staat in het midden in ruimvallend gedra­peerde kledij. Hij legt zijn linker arm op de arm van Maria en met de rechter ­hand vat Hij haar hand. Maria ligt ge­knield. Geen hartstochtelij­ke omhelzing maar slechts dit gebaar, hoe indringend. Het vertelt over troost en bescher­ming en vooral over liefde. Naast Christus staan Johannes, Petrus en Jacobus. Daarachter tegen een vaag landschap zijn nog net twee andere gezichten te zien. De kunstenaar heeft in het meest rechtse het gelaat van Hans Braun meegenomen. Naast Maria staan Maria Magdalena, Maria Salome en Maria Cleophe. De informatie vertelt dat de kunstenaar Maria Magdalena het gezicht van de jonggestorven Barbara heeft gegeven. Zo is het echtpaar Braun voor altijd opgenomen in de groep mensen rond Jezus. Zwak komen van buiten flarden muziek naar binnen. Drie pubers slingeren onbeholpen achter hun ouders aan, lachen, worden tot de orde geroepen. Naast de ingang van de crypte staat de aartsengel Michaël in zijn eeuwige strijd met de draak. De crypte zelf is in schemer gehuld, er hangt een muffe lucht. Voor het kleine venster hangen slierten spinrag. In de troosteloze grijsheid ontwaar ik St. Martinus in een eenvoudige mantel, schilferig en gebarsten en voor zich uit starend. Op een wankele stoel zak in neer en laat de stilte in deze vochtige ruimte binnenkomen. Niets leidt af, Martinus en ik, wij samen. Geen goud en marmer en kerkelijke kunst, geen ­muziek. Wat is ontluistering, wat is tijdloosheid... Deze afgedankte Martinus wint het voor mij van de zegenende St. Martinus hoog op het topje van de preek­stoel in zijn vorstelijk gewaad. En leg dat maar eens uit...