Overbrugd

Overbrugd

vrijdag 4 september 2020



Er is veel te doen over de coronaregels, vooral omdat de waakhond over alle regels, minister Ferd Grapperhaus zichzelf vrijheden toestond, waarmee anderen flink op de bon gaan. Het vuurtje is ondanks veel bluswater nog smeulend. We wachten af. Feit is dat de coronavirus nog steeds rondscharrelt. Het blijft oppassen, maar soms lijken we het wat kwijt te zijn. Maar dan toch een bericht in Trouw dat de burgemeester van Heerde, een dame en 50 jaar jong, aftreedt omdat ze nog steeds herstellend is van de coronavirus, die ze in maart opliep. In Heerde brak destijds een grote golf uit, die veel levens heeft gekost. En dat bewijst weer eens dat er niet mee te spotten valt en dat voor veel mensen de nasleep afschuwelijk is.


Het was nog een hele toer om dit gedicht over te nemen zoals het stond afgedrukt. Ik griezelde van alle wonderlijke grammaticale vrijheden, die Paaltjes zich permitteert! Elke zin begint met een hoofdletter bij de dichter, daar kom je gauw genoeg achter. Maar een rijtuig opgerukt?
Feit is dat de ik-figuur het zeer te pakken heeft. Tot over zijn oren verliefd bij het zien van deze blonde 'engel', die voorbij raast. En dat is niet alles. Het lijkt hem zalig om samen met Rika verpletterd te worden door dezelfde trein. Die laatste zin is ijzersterk en geeft het gedicht een komische wending.

Piet Paaltjes was het pseudoniem van Trançois Haverschmidt. Hij was dichter/dominee en leefde van 1835 tot 1894. En dat verklaart de wonderlijke grammatica.




*********************************************************************

 

Aan Rika

 

Slechts éénmaal heb ik u gezien. Gij waart
Gezeten in een sneltrein, die den trein,
Waar ik mee reed, passeerde in volle vaart.
De kennismaking kon niet korter zijn.

En toch, zij duurde lang genoeg, om mij
Het eindloos levenspad met fletsen lach
Te doen vervolgen. Ach! geen enkel blij
Glimlachje liet ik meer, sinds ik u zag.

Waarom ook hebt gij van dat blonde haar,
Daar de englen aan te kennen zijn? En dan,
Waarom blauwe ogen, wonderdiep en klaar?
Gij wist toch, dat ik daar niet tegen kan!

En waarom mij dan zo voorbijgesneld,
En niet, als 't weerlicht, 't rijtuig opgerukt,
En om mijn hals uw armen vastgekneld,
En op mijn mond uw lippen vastgedrukt?

Gij vreesdet mooglijk voor een spoorwegramp?
Maar, Rika, wat kon zaalger voor mij zijn,
Dan, onder hels geratel en gestamp,
Met u verplet te worden door één trein?

Piet Paaltjes
Uit: Met mijn valies vol dromen...